Sectie
IIb: de spiritualiteit 'Combinaties:
gehelen en
delen, We
zagen analytisch dat het idee van
God
in de vorm van de
tijdfactor
in relatie tot de ether daar een rol bij speelt.
De tijd van het ego is op een bepaald moment
voorbij en de tijd van het heiliger ik van de
ziel komt dan aan de orde. De Moslims doen het
op vrijdag, de Joden op zaterdag en de
Christenen op zondag. Ze reserveren tijd voor de
ziel en laten zo zien dat de rustdag, of de
studiedag om het vergeten heilige boek met gebed
en gezang weer voor de geest te halen, onmisbaar
is als noodzakelijk tegenwicht voor de karmische
verstriktheid in de prestatiemaatschappij. Nu
zijn er echter twee benaderingen in dit streven
naar zuivering van de motieven. Ten eerste is er
het, met de principes voorop gesteld, zich
spiritueel bezinnen op de essentie, Die is, in
haar filosofisch door Aristoteles in zijn
Analytica
Posteriora
gedefinieerd zijn als: 'dat wat fundamenteel,
kenmerkend, kwalificerend en van algemene waarde
is voor iets anders', of lexicaal
eenvoudiger gezegd 'wezenlijk en
onmisbaar' is, taalkundig verder niet al te nauw
omschreven, dan ietwat blijven zweven omdat die
bemediteerde essentie met zo vele methoden zo
vele vormen aan kan nemen. Ten tweede is er de
'minder op zichzelf' gerichte religiositeit in
de zin van een op rituelen en geformaliseerde
erediensten gebaseerde gezamenlijke bezinning
die we gewoonlijk de religie noemen. De twee
kampen, de spirituele mensen en de religieuze
mensen, zijn geneigd elkaar weg te zetten als
zijnde begoocheld. De religie zou in dat dispuut
te veel op de vorm gericht en te hypocriet of
schijnheilig van vals gezag zijn in de ogen van
de 'zwevers' en de spiritualiteit zou op
zich
zelf
staand een doodlopende weg en een vorm van
bedrog zijn die zelfzuchtig is en alleen maar
vanwege het vrijblijvende 'ledige' tot
goddeloosheid en zonde leidt in de ogen van de
'gelovigen'. De huichelaars durven de
zelfconfrontatie niet aan en de zwevers durven
de verantwoordelijkheid niet aan zo lijkt het
verdeeld zijnde dan. Maar analytisch hadden we
van Freud al geleerd dat er zoiets als projectie
bestaat. De pot verwijt de ketel dat ie zwart
ziet. Blijkbaar probeert men iets te scheiden,
iets buiten zich te plaatsen, wat niet te
scheiden is. De heiligheid van de zwevers die
het moeten hebben van enkel maar de regels in
relatie tot de essentie en de saamhorigheid van
de gelovigen die het moeten hebben van het
samen-sta-je-sterker beginsel van de tolerantie
voor de zwakheden - die er nou eenmaal zijn met
die regels, wijzen tezamen de weg naar een
saamhorigheid met de heiligheid die zowel
respect heeft voor een zekere regelmaat van
bezinnen als voor een zekere ongebondenheid met
de tijd. Deze combinatie van
verantwoordelijkheid en zelfconfrontatie is dan
wat de filognosie beoogt. Het
religieuze kenmerkt zich verder door haar
aandacht voor één specifieke
persoon: de persoon van aanbidding. Men aanbidt
Krishna als de held, Jezus als het lam, Mohammed
als de profeet of de Boeddha als de ene leraar
der verlichting. De 'new-agers' of de mensen van
de Nieuwe Tijd, ook wel de nieuwe mensen genaamd
door de meditatiegoeroe Osho (voorheen
Bhagavân
S'rî
Rajneesh,
1931 - 1990) die de peetvader is van de moderne
zelf-onderzoekende spiritualiteit, zijn
daarentegen niet specifiek op één
persoon gericht: Osho zelf is wat hen betreft
maar een grappenmaker en vriend in de
zelfverwerkelijking die je ook niet al te
serieus moet nemen. Onze vaderlander hierin
Amrito, de ex-psychiater Jan Foudraine, spreekt,
ook naar aanleiding van de goeroe Jiddu
Krishnamurti, van meester, antimeester en
psychotherapeut: je hebt soms een therapeut
nodig om van de meester te leren dat je geen
meester nodig hebt. Qua
tijd neigen de spirituelen zonder al te veel
overtuiging tot zon- en maan-aanbidding en
astrologische meditaties van een interplanetaire
tijdsaanduiding in verhouding tot een
niet-astronomische sterrenhemel. Helemaal
tijdloos zijn ze dus ook weer niet en voor een
tijdje kan je best met hen wel een cursus,
therapie of groep volgen. Van de gelovigen zijn
de Christenen b.v. anderzijds ook weer niet zo
uit op de tijd zelf, blijkens b.v. de woorden
van apostel Paulus, die dat aspect niet boven de
naastenliefde wilde laten prevaleren, en
Augustinus
van Hippo
(354-430 n. Chr.) die het ook niet zo op de tijd
begrepen had. De Islam op haar beurt, fanatiek
als ze is op een precieze gebedstijd is echter
ook weer niet zo gedreven als het aankomt op het
naar de natuur van de zon of de maan
definiëren van de vrijdag van hun
samenkomst en ook niet echt scherp op de
commerciële tijdfilosofie van hun normale
werktijden. Zo verschillend en tegenstrijdig als
men dus is met het idee van de tijd, zijn met
een zekere ongebondenheid met de natuurlijke
tijd gesteld tegenover een bepaalde
compromis-bereide zekerheid met de politieke
standaardtijd, beide posities van bezinnen toch
wel te herkennen als deel uitmakend van een en
dezelfde evolutie of een en hetzelfde
emancipatieproces waarin de ziel zijn zuivering
vindt in relatie tot het krachtveld van de
ether. De spirituelen zijn, gnostischer dan de
religieuzen, meer uit op de filosofische uitleg
van de religieuze waarheden en daarmee ook
creatiever en persoonlijker gericht op het
onpersoonlijke van enkel de regels en principes
van die vrijheid; de vrijheid van realisatie die
dan, eventueel wèl met een vaste
tijdafspraak, kan resulteren in een nieuwe orde
of religie waarin men op een andere manier met
zichzelf praat voor God - ofwel bidt - en op een
andere manier de eer ervan in respect voor een
bepaald heilig boek hooghoudt en herinnert. En
dat hopen op beter is ook het beeld van de
ambities die men spiritueel graag koestert: de
spiritualiteit als geboren uit onvrede,
teleurstelling en onvermogen met de bestaande
religieuze en maatschappelijke orde heeft dus
ook de functie om op te treden terwille van een
voorbereiding op ofwel de bestaande ofwel een
nieuwe of vernieuwde zin voor geestelijk en
maatschappelijk functioneren. Zo komen we met de
perfectie van onze causale illusie redenerend
van deze sectie naar de volgende - meer op de
persoon georiënteerde - sectie, dan eerst
aan de 'zwevers' toe die we voornamelijk kennen
bij de genade van een zekere relativering van
het begrip 'regels'. Het
gaat er bij de spirituele mens in de praktijk
simpel om om aan de hand van enkele
basisprincipes zoals geweldloosheid en
waarheidliefde systematisch, stap voor stap, te
komen tot een, zoals gezegd, alternatief
bewustzijn van de tijd: de derde orde van
de
ervaren tijd.
Die naar binnen gerichte zoektocht naar een
stabiele verzonkenheid in de integriteit van het
ware zelf heet in India simpelweg yoga ofwel
letterlijk vertaald uit het Sanskriet: het zich
verbinden (met de ziel). Het
woord god en het woord orde zijn lang, tot aan
de laatste fase van wijsheid en behoud toe,
uitwisselbaar en het is in deze eindfase van
behoud dan ook dat de persoonlijke aard van
dienstverlenen aan dit ideaal uiteindelijk komt
bovendrijven: de svarûpa. Zo zegt
Heer Kapila tegen zijn moeder: 'Ik gaf uitleg
over de vier afdelingen [naar de
geaardheden
en de transcendentie daarboven
*]
van identiteit [svarûpa]
in toegewijde dienst als ook het niet
waarneembare van de beweging der tijd [de
conditionering] die de levende wezens
voortdrijft. Voor het levend wezen zijn er vele
wijzen van materieel handelen in onwetendheid,
die voortkomen uit het werken voor een materieel
resultaat [karma] mijn beste moeder,
waarvan de ziel die dat bestaan binnengaat zijn
eigen manier van doen niet begrijpt (S.B.
3.32:
37-38).
Heer Krishna zegt daarover tegen zijn neef
Uddhava: 'Net als iemand die verblind door de
drank zich niet bewust is van de kleren die hij
draagt, slaat hij die van de volmaaktheid is,
zie je, er geen acht op of het lichaam zit of
staat, naar Gods wil vertrekt of door het lot
beschikt [een nieuw lichaam] verwerft,
omdat hij zijn oorspronkelijke positie heeft
bereikt [zijn svarûpa].
(S.B.11.13:
36).
De svarûpa, de persoonlijke
identiteit met God is het doel van de
zelfverwerkelijking. En zo zien we dan stap voor
stap de filognosie ontstaan van de mens die
zich, al mediterend en voor zijn expressie
mantra's of gebeden oefenend, ontwikkelt van
feitenkenner tot mediteerder en van mediteerder
tot een gelouterde toegewijde met een eigen
identiteit en missie. De
feitelijke vraag in deze spirituele sectie
handelt over wat nu precies bewustzijn is. In de
wetenschapssectie werd duidelijk dat de natuur
in het cyclische van de tijd de maan tegenover
de zon plaatst. Er is zoiets als een natuurlijk
bewustzijn dat staat tegenover een cultureel
bewustzijn dat het niet zo nauw neemt met de
externe validiteit van de tijdmeter. Het feit
dat de cultuur compleet met haar religies, neigt
te vervallen in een valse behoudzucht van een
politiek van een voor het geld gemanipuleerde
tijdorde, bederft het spirituele zicht op de
traditionele religie als een einddoel van zich
spiritueel ontwikkelen. De religie, zichzelf
ziend als de genade voor die erfzonde tegen de
natuur in, staat met haar gelovige behoud van
die genade tevens voor het verraad aan de natuur
dat ze daarmee de hand boven het hoofd houdt. De
hervormer die in de spirituele mens schuilgaat
wil het anders: hij is alternatief, een rebel en
zet zich af als een aanklager voor het gerecht
van God die door de rest van de maatschappij
makkelijk wordt weggezet als een ketter. Maar de
evolutie dringt en de vooruitgang moet er zijn
als we niet met de politieke opposities in dit
conflict willen vervallen in nationale en
internationale oorlogen. Met de filognostische
herstart van de bemiddeling in de liefde voor de
kennis in dezen, keren we dan weer terug naar
het Heilige Zelf dat we dan moeten leren dienen
met regelmaat en orde zonder nu direct te zeggen
welke religieuze traditie of Godheid zou
overwegen in die praktijk. Spiritueel de zaak
openhoudend kennen we dan dat Zelf dat van
bewustzijn is temidden van de tegenstellingen
van de wereld en dat gekenmerkt wordt door nog
twee andere eigenschappen. Dat is de eigenschap
van de eeuwigheid en de eigenschap van het
geluk. De spirituelen zijn kort gezegd op zoek
naar dat bewustzijn van de dualiteit van de
tijdgebonden wereld dat duurzaam is enerzijds en
gelukkig maakt anderzijds. Het ware zelf kennen
we vedisch bij de kwaliteiten van sat, cit
en ânanda, ofwel als zijnde
eeuwig, bewust en gelukzalig. Het eeuwige noemt
men wel tijdloos maar is het dus, dualistisch
gebonden als men is met een lichaam, niet. Het
aspect van het eeuwige bestaat uit - of bij de
genade van - de wetmatigheid en
onvermijdelijkheid van de natuurlijke orde van
de tijd (In de volgende sectie zullen we de
citaten hiervoor op een rij zetten). Dat is wat
het bewustzijn stabiel, sacraal, goddelijk,
etherisch maakt en geheugen geeft, dat is wat
het bewustzijn werkelijk maakt als een tweede
kenmerk van het zich kennende zelf. We zijn ons
dat ware zelf dus niet zozeer bewust als gevolg
van het met weekdagen ingaan tegen data op basis
van een baatzuchtig nevenmotief, we zijn ons dat
zelf bewust op basis van die duurzaamheid van de
door natuurwetten beheerste materiële
De
tijdloosheid van het spirituele op zich is dus
een illusie, net zo goed als een bepaald
materieel georiënteerd tijdbewustzijn dat
op zichzelf denkt te kunnen voortbestaan dat is.
De stabiliteit wordt gevonden in het komen tot
je hoogst persoonlijke evenwicht in dezen, in
het hoogst persoonlijk overwinnen van de
menselijke zwakheden ook die het bewustzijn
vertroebelen, in het scheppen, of beter gezegd
ontdekken, van een zekere orde en discipline en
in het behouden en inpassen van die orde in de
bij natuur en traditie reeds bestaande en
behouden orde. En ook deze gang naar boven in de
richting van een zich gelijkrichten met de ziel
in een groter overzicht is dus, enkel lineair
begrepen, zoals
we al zagen,
op zichzelf bezien ook weer een illusie. De
stadia van meditatie in de ashthânga
yoga
van in het Westen m.n. B.
K. S. Iyengar
worden ook door haar aanhangers
niet strikt lineair
gezien,
maar meer als een lotusbloem van door elkaar
heenlopende en op elkaar inwerkende spirituele
bloembladen of leden (anga's). Pas als de
gang naar 'boven' in de richting van de
abstracte God gelijkstaat aan een gang naar
'beneden' in de zin van een concrete vorm van
respect voor de naaste waarin de heiligheid, de
wijsheid, al de talenten, de weelde en de
saamhorigheid wèl harmonieus samengaan,
is er de volkomenheid van de mens die de
filognosie beoogt met haar wetenschappelijke
liefde voor de feiten van het universum, de
principes van de geest en de politiek omtrent de
persoon. Voor
de spirituele afdeling komt zo het accent anders
te liggen: van structureel betrokken zijn in een
wetenschappelijke zin raakt men principieel
betrokken. De concrete vraag die dan rijst is
hoe de discipline er dan praktisch uit zou zien
van dat alternatieve tijdbewustzijn. Dus zijn er
geen tabellen meer van een tijdstructuur, maar
gedragsaanwijzingen, principe-besprekingen,
waarde-inschattingen en grafische
voorstellingen.
Zo is er dan een encyclopedisch opgezette
zelfhulpsectie, een boek apart haast, genaamd
'De
Andere Regels',
dat de verschillende leden van overstijging
terwille van een gelukzaliger zelf verdeelt in
acht secties betreffende het dagelijks leven,
zaken doen, afspraken maken, relaties hebben,
getrouwd zijn, sporten, met het lichaam omgaan
en seksueel zijn die met de genoemde acht
anga's van de yoga samenhangen. Daarna
zijn er dan hoofdstukken over het idee van
reïncarnatie
in relatie tot een zekere angst voor de
tijd;
wat de essentie
van de
spiritualiteit
nou precies behelst; wat de relatie van ons
onderwerp met de
seksualiteit
is; hoe precies de
filognosie in spirituele termen dialectisch
klinkt
en wat in de zin van een
integraal overzicht van de verschillende
indelingen
van begrippen haar feitelijke structuur
is. *
De
vier identiteiten naar de geaardheden en de
transcendentie staan bekend als het
Spel van de
Orde
dat de mens speelt in zijn identiteit van het
naar de vier klassen, de vier vormen van status,
de drie geaardheden en de acht niveaus van
transcendentie functioneren met een zekere
ervaring. Afbeeldingen:
Het schilderij met de Jezus is van
Jeroen
Bosch.
Het heet 'Christus draagt het kruis' en
is van 1485-1490, olie op paneel 76.7 x 83.5 cm
en is te vinden in het Musée des
Beaux-Arts te Gent in België. De
ets met de vogels is van M.C. Escher. Het is een
houtsnede van vier blokken geprint, en is
getiteld 'Zon en Maan' . Het is van 1945
en meet 25.1 x 27 cm. De
portretten van de transcendentalisten zijn van
links - boven naar beneden: Osho, Jan Foudraine,
midden: Alan watts en Ken Wilber en rechts en
profil J. Krishnamurti. De
man met de fez op is de analytisch psycholoog
Carl Gustaf Jung. Het
beeldje daaronder stelt Patañjali voor
met het lijf van een slang omdat hij als een
incarnatie van Âdi S'esha ofwel
Sankarshana
wordt beschouwd. Het
beeld met de drie hoofden is een z.g.
trimurti uit India, een afbeelding van de
drie goden S'iva,
Brahmâ en
Vishnu
in één. Het
plaatje met een ohm-teken erin stelt een
zonnewijzer voor als een representatie van de
wil van God. Het
plaatje met de gekleurde velden is een grafische
voorstelling van de vervlochtenheid van de
verschillende niveaus van overstijging die in
de
Andere
Regels
worden besproken volgens de onderwerpen in de
aangeduide velden. De
site lineair als een perfectie van de causale
illusie:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||