I De verzonkenheid
(1) Goed, laten we
het dan nu hebben over de instructies van de bewustzijnsvereniging, van
de yoga. (2) Het zich verbinden in de yoga houdt in
dat er een einde komt aan het gepieker van het materieel gemotiveerde
verstand. (3) Dan is er sprake van dat de getuige die je zelf bent zich
bevindt in zijn oorspronkelijke staat van dienst. (4) In alle andere
gevallen is er sprake van dat men zich laat meeslepen door, dat men
zich identificeert met, het gepieker. (5) Er zijn vijf vormen van
gepieker die aangenaam, dan wel problematisch kunnen zijn. (6) Ze komen
voort uit a) directe ervaring, b) uit tegenslag, c) uit
wisselvalligheid, d) uit slaap en e) uit het geheugen.
a):
(7) De kennis van het directe waarnemen put uit de bron van wat zich
zintuiglijk voordoet, uit de conclusies die men daaruit trekt en uit
het schriftuurlijk gezag, de basisreferentie voor het denken.
b): (8)
Tegenslagen komen voort uit een verkeerde zienswijze die een zekere
vervreemding inhoudt.
c): (9)
Wisselvalligheid ontstaat door het vasthouden aan oppervlakkige
denkbeelden.
d): (10)
Slaap houdt een vorm van gepieker in waarin men afwezig zijnd vertrouwt
op, berust in, een puur mentale bezigheid.
e): (11) Het
geheugen berust op de ervaring van een zaak die men niet wil
loslaten.
(12) Als men hieraan,
aan deze vijf vormen van gepieker, een einde wil maken, moet men a)
volhouden met en b) afzien van.
a) (13)
In het geval van volhouden probeert men het steeds weer opnieuw de rust
te vinden. (14) En het krijgen van deze vaste grond onder de voeten
lukt met lange, onafgebroken, aangehouden toewijding.
b) (15) Het
afzien, of onthechten, van het luisteren naar een oppervlakkig ding dat
men van zichzelf merkt als men piekert, berust op het bewustzijn, het
begrip, dat men krijgt als men vrij is van verlangen, als men de
verlangens heeft onderworpen. (16) Dat allerverhevenste idee van de
eigen persoon is er als men vrij is van de werking van de drie
geaardheden der natuur, als men dus niet te traag, te beweeglijk of al
teveel van het goede is.
(17) Het juiste weten
gaat gepaard met afwegingen maken, zaken onderscheiden, geluksgevoelens
en zelfbewustzijn. (18) In de rusttoestand bouwend op het volhouden
ontstaat er een ander evenwicht, een zuiverder kijk op de zaak, dan men
voorheen had. (19) In die staat van zijn bouwt men op het niet
lichamelijk, niet zintuiglijk, vasthouden aan de natuur. (20) Geloof,
moed, geheugen, verzonkenheid en ware kennis vormen dan het tegendeel
van zoals het voorheen was. (21) Voor hen die enthousiast er serieus
werk van maken ligt het binnen handbereik. (22) Men kan er verschillend
onstandvastig, met mate en verder ook volijverig mee bezig zijn.
(23) Anderzijds kan
men ook van toewijding zijn voor de persoon van God, te weten de Heer
van de Yoga en Zijn vertegenwoordigers. (24) De persoon van God is een
persoon die zich onderscheid van andere personen als zijnde het
reservoir dat losstaat van leed, baatzuchtige arbeid en de gevolgen
daarvan. (25) Dat reservoir is de onovertroffen bron van alle kennis.
(26) Met die bron handelt het om het beslag met de tijd dat stabiel is,
dat vóór alles komt en dat ook de leraar is. (27) Hij,
die bron, wordt aangeduid met de lettergreep AUM, de Pranava. (28) Het
is de bedoeling die lettergreep steeds weer opnieuw voor jezelf te
herhalen. (29) Dan keren de gedachten zich naar binnen om daar behalve
een afwezigheid van hindernissen ook de beheersing te vinden. (30) De
hindernissen bestaan uit ziekte, onstandvastigheid, besluiteloosheid,
onoplettendheid, luiheid, misvatting, ontmoediging en een dwalende
geest. (31) Ook komen er zorgen, wanhoop, fysieke wisselvalligheid en
verkeerd ademhalen bij kijken die je verder op een dwaalspoor kunnen
brengen.
(32) Om dat tegen te
gaan moet je het volhouden met die ene ware staat, als principe en
werkelijkheid. (33) Je moet dan een genadige instelling in gedachten
houden van vriendelijkheid, mededogen en blijdschap in gelijkmoedigheid
wat betreft geluk en ongeluk, deugd en ondeugd. (34) Een andere
mogelijkheid is het vestigen van de aandacht op de uitgaande of de
ingehouden adem. (35) Of men richt zich op een voorwerp dat de geest
houvast biedt. (36) Ook kan men een einde maken aan z'n zorgen met
behulp van een heldere lichtbron. (37) Nog een mogelijkheid is zich te
richten op een heilig voorwerp of een bewuste geest vrij van
gehechtheden [een heilige b.v.]. (38) Ofwel berust men in de basis die
ten grondslag ligt aan de slaap, het dromen en het waken. (39) Verder
kan je mediteren op alles wat je maar aangenaam vindt.
(40) Als men dit
onder de knie heeft kan men in het kleinste nog het allerhoogste
ontdekken. (41) Met het gepieker dat zich oplost vindt de kenner, het
kennen en het gekende zijn stabiele basis als was het een heldere
diamant, en ondergaat men een transformatie. (42) In die
getransformeerde staat geheel verzonken zijnd vallen dat wat men hoort,
de betekenissen, het kennen en de overwegingen allemaal samen. (43) Als
het terugdenken aan dingen geheel is uitgezuiverd, vrij is van zijn
eigen aard zogezegd, treedt het enkele schouwen in zijn zuiverste vorm
naar voren dat vrij is van iedere overweging. (44) Door dit enkele
beschouwen dat het zonder overwegingen kan stellen openbaart zich dan
tevens het subtiele. (45) Het subtiele dat er van elders is, is dan -
zonder dat het te zien is - bij het kennen inbegrepen. (46) Dit
verzonken zijn is onvermijdelijk afhankelijk van een bepaalde basis van
iets dat in werkelijkheid bestaat. (47) Heeft men ervaring in dit
onbespiegelde kennen dan is er de sereniteit van de zuivere ziel, de
hoogste geest. (49) Wat men van horen zeggen heeft of zelf heeft
geconcludeerd staat geheel los van dit doel van de zuivere
intelligentie. (50) Wat zich in die staat opwerpt aan inzicht verkeert
in tegenstelling tot de verwerking van andere indrukken. (51) Als men
dat ook stopt en zo aan alles een einde maakt, is er de diepe
verzonkenheid die zonder een object is.
II
De praktijk
(1) Als men de
bewustzijnsvereniging in de praktijk brengt is er boete, zelfonderzoek
en het zich bezinnen op de persoon van God. (2) De verzonkenheid is er
om te bewerkstelligen dat dat wat dwars zit afzwakt en dat wat
wenselijk is tot stand komt.
(3) Dat wat problemen
geeft is a) een gebrek aan kennis, b) ik-gericht bezig
zijn, c) hartstocht, d) afkeer en e) koppigheid.
a)
(4) Men kan onwetend zijn wat betreft het veld
van handelen, het gevolg van
iets, de slaap, dat waar een einde aan kwam, en dat wat gepast is. (5)
Het tijdelijke voor het eeuwige, het onzuivere voor het zuivere, ongeluk voor geluk en het oneigenlijke voor het eigenlijke
houden, is wat men onwetendheid noemt.
b) (6) Als
de ziener het zo ziet dat hij één en hetzelfde is als
waar hij materieel toe in staat is, is dat egoïsme.
c) (7) Geluk
wordt op de voet gevolgd door de gehechtheid.
d) (8)
Ongeluk wordt op de voet gevolgd door de hekel.
e) (9)
evenzo koppig is zelfs de wijze in de nadruk op zijn eigen aanpak.
(10) Deze problemen
moet men in de kiem smoren. (11) Zo gauw ze aan de dag treden moet men
ze met meditatie tegengaan. (12) De werklast immers die zich van hen
ophoopt vormt een bron van moeilijkheden waar men voor geplaatst wordt
in het leven dat men nu leidt zowel als in het leven dat men tegemoet
ziet. (13) Op basis van die werklast kan men steeds weer opnieuw
beginnen, zit men aan een bepaald leven vast en moet men zo het een en
ander ondergaan. (14) Dat kan aangenaam zijn of pijnlijk, afhankelijk
van de gevolgen van deugd en ondeugd. (15) Iemand van onderscheid ziet
in dat het geheel van die gevolgen, het afzien ermee, de indrukken
ervan, de zorgen erdoor, en de wisselende kwaliteit ervan, vanwege de
tegenstellingen die ze vormen, inderdaad ongeluk voorstellen. (16) Het
ongeluk dat er nog niet is kan worden voorkomen. (17) Het samengaan van
degene die ervaart met datgene wat wordt ervaren - het zich
identificeren - is de oorzaak die men - in de meditatie - moet
tegengaan. (18) Of dat wat men ervaart tot de verheldering leidt van de
weg der bevrijding, dan wel de zingenoegens van dienst is, hangt af van
a) de elementen der natuur, b) de aard der dingen, c)
de zintuigen en wat men er mee doet, d) de standvastigheid, e)
iemands aanleg en f) de actie die men onderneemt.
a) (19) De
veranderlijke kwaliteit van de natuur kent men, b) in de geest
dan wel in de materie, als een algemene toestand van verandering zowel
als een bepaalde toestand die aan verandering onderhevig is. (20) De
ziener is enkel zuiver bewustzijn, ook al is hij getuige van c) een
bepaalde - veranderlijke - geestesstaat. (21) Het kenbare van de natuur
is er slechts terwille van de ziel. (22) In oppositie met de materie
heeft de materie afgedaan als men d) succesvol mediteert,
terwijl dat in contrast daarmee in de normale bewustzijnsstaat niet zo
is. (23) Het doel van de bewustzijnsvereniging is het bij machte van e)
het eigen meesterschap, zich realiseren van de eigen aard. (24) Dat
moet zo zijn vanwege het gebrek aan zelfkennis; de onwetendheid. (25) De zaligheid van de kenner
is gelegen in de afwezigheid daarvan, in f) het verhelpen van
het niet tot stand komen van die bewustzijnsvereniging.
(26) Zonder
onderbrekingen van het ware onderscheid in het waarnemen zijn, is de
manier om de zelfvervreemding te verhelpen. (27) In dat volkomen weten
is er sprake van zeven bereiken. (28) Als men door gewetensvol stand te
houden de verschillende onderdelen in het bewustzijn verenigt, doet dat
alle onzuiverheden verdwijnen zodat de kennis dan straalt in zijn ware
glorie. (29) De innerlijke vereniging, de
verzonkenheid, behelst verder de - zeven van de - a) verzaking,
b) de regulatie, c) de houding, d)
de adembeheersing, e) het zich naar binnen keren, f) de
concentratie en g) de meditatie; en zo zijn er dan acht leden.
a) (30) Geweldloosheid, waarheidliefde,
niet stelen, het celibaat en geen
bezit nastreven vormen de verzaking. (31) Dit is de grote
universele gelofte die geldt ongeacht de plaats, de tijd, de
omstandigheid en iemands geboorte.
b) (32) Reinheid,
tevredenheid, boetvaardigheid, bezonnenheid en overgave
aan de persoon van God vormen de regulatie.
(33) Speculaties,
theorieën, meningen, vormen het tegendeel dat het lijden in het
leven roept. (34) De speculatieve kennis leidt ertoe dat zaken geweld
worden aangedaan en zo meer, ze vindt haar bestaansgrond in begeerten,
woede en misvattingen die zich in geringe, redelijke of intense mate
kunnen voordoen. Aldus in onwetendheid verkerend plukt men zonder ophouden de vrucht van het ongeluk, dat door het overdenken van
het tegengestelde tot rust komt. (35) Als men niet van onnodig
geweld is, vindt men stabiliteit in relatie tot de omgeving en
nemen vijandigheden af. (36) Als men waarheidlievend is staat
men stevig in zijn schoenen en dragen handelingen hun vrucht. (37) Als
men zich niets valselijk toe-eigent komt er met alles wat van
waarde is een gevestigde orde tot stand. (38) Met het celibaat
wordt een stabiele basis voor de levensenergie en -inzet verworven.
(39) Als men stabiliteit kent door geen bezit op te bouwen
krijgt men er begrip voor op welke manier men weer opnieuw mocht
beginnen, ofwel geboren werd. (40) Met het schoon schip houden met zichzelf is men met lijf en
leden terughoudend in de - seksuele - gemeenschap met anderen. (41)
Zinsbeheerst zich verheugend in zuivere goedheid en een eenpuntige
geest komt men in aanmerking voor de visie van de ziel. (42) In tevredenheid,
in goedgezindheid, bereikt men een onovertroffen geluk. (43) Door boetvaardigheid
worden alle onzuiverheden ongedaan gemaakt en bereikt men een optimaal
functioneren van het zintuiglijk apparaat. (44) Door zich te
bezinnen treedt men in contact met de goddelijkheid van de eigen
voorkeur. (45) Door overgave aan de persoon, de integriteit, het gezag
van God, bereikt men de perfectie van de verzonkenheid.
c) (46)
Door zithoudingen ontstaat er duurzaam geluk. (47) Door zich
te oefenen in het zich leegmaken treedt men in contact met het
oneindige. (48) Hierdoor is men dan niet meer verstoord door
tegenstellingen, door de dualiteit.
d) (49) Als
dit is bereikt, dus op voorwaarde van de juiste zithoudingen, bestaat
de adembeheersing uit het onderbreken van de bewegingen van het
in- en uitademen. (50) Het naar buiten en naar binnen gaan van het
bewegen van de adem en het vasthouden ervan moet naar tijd en plaats,
en qua frequentie en duur, fijntjes af worden geregeld. (51) Een vierde
optie wordt gevonden in het bereik dat uitstijgt boven het in- en
uitademen. (52) Van daaruit wordt dat wat het licht van de kennis
afschermt teniet gedaan. (53) Ook is de geest er dan klaar voor om zich
te concentreren.
e) (54) Als
men naar het beeld dat de zintuigen bieden zich die voorstelling voor
de geest haalt, staat men los van de voorwerpen die dat beeld gaven;
dat noemt men de verinnerlijking of het naar binnen richten van de
aandacht. (56) Zo heeft men dan bovenzinnelijk het zintuiglijke
onder controle.
III
De controle die men krijgt
f) (1)
Het zich concentreren houdt in dat men zijn bewustzijn fixeert
op de plaats waar men zich bevindt.
g) (2) Het
op dat ene punt van die plaats vestigen van de aandacht is de
meditatie.
(3) Als er niets
dan dat ene doel is, treedt de eigenheid naar voren, die dan als het
ware leeg is; dan is men volmaakt verzonken. (4) De combinatie
van deze drie zaken vormt de zelfbeheersing. (5) Als men dat onder de
knie heeft is er de wijsheid van die visie. (6) Ze vindt haar
toepassing in verschillende aardse bereiken. (7) In verhouding tot de
voorgaande leden vormen deze laatste drie het innerlijke. (8) Evenzo is
dat weer het uiterlijke van de objectloze verzonkenheid. (9) Met het
zich in de voorstelling opwerpen van gedachten en hun beëindigen
neemt het bewuste tegengaan af en neemt de samenhang, de integratie van
het bewustzijn, toe, zodat als het effect van de terughoudendheid het momentane
bewustzijn tot rijping
komt. (10) De bewustzijnsstaat ervan is één stroom van
serene rust. (11) In de ontwikkeling van
de verzonkenheid neemt de verdeelde aandacht af en de eenpuntige
aandacht van het bewustzijn toe. (12) Het dan weer in vrede verkeren en
het dan weer zich evenzo opwerpen van motieven in het bewustzijn, vormt
de veranderlijkheid van de onverdeelde aandacht. (13) Hiermee is de transformatie van de
zintuiglijkheid in al zijn onderdelen beschreven qua juist gedrag,
kenmerken en de uiteindelijke staat.
(14) De positie van
de eigen aard die resulteert uit de juiste aanpak is ofwel sluimerend,
kalm of in staat van vervoering. (15) Verschillende invalshoeken geven
uiteenlopende effecten:
(16) De drievoudige
zelfbeheersing resulteert in een hoger inzicht in wat zich afspeelde in
het verleden en wat in het verschiet ligt.
(17) Geluiden, motieven en gevoelens die zich verdringend dooreenlopen,
zijn te onderscheiden in de zelfbeheersing waarmee men inzicht
verkrijgt in de klanken voortgebracht door alle levende wezens.
(18) Indrukken die, meegedragen in het zelf, naar
de oppervlakte komen, geven inzicht in voorgaande levensstaten.
(19) Er ontstaat een beter begrip voor het
bewustzijn waarmee andere personen tegen de werkelijkheid
aankijken.
(20) Enkel op basis daarvan kan men overweg met dat wat in
het leven buiten iemands bereik ligt.
(21) Door zelfbeheersing in relatie tot de gedaante waarin men zich
ophoudt, kan men de kracht ervan onderdrukken en kan, van het licht in de ogen
losgekoppeld, dat licht verdwijnen.
(22) Hiermee kan men geluiden en andere zinswaarnemingen evenzo doen
verdwijnen.
(23) Handelen heeft onmiddellijke gevolgen en gevolgen die zich later
doen gelden. Door dat drievoudig (III 1, 2, 3) meester te zijn,
verkrijgt men inzicht in de einduitkomst der handelingen danwel in
de voortekenen ervan.
(24) Men wint aan kracht door vriendelijkheid en dergelijke.
(25) Met die kracht verlicht wordt men zo sterk als een olifant.
(26) Kennis van verborgen zaken, zaken elders en subtiele zaken
verkrijgt men door het bovenzinnelijk waarnemen van geprojecteerde
beelden.
(27) Door zich te beheersen met het licht van de zon krijgt men kennis van de verschillende
werelden.
(28) Door meesterschap met de maan te ontwikkelen krijgt men inzicht in de orde van de
sterrenhemel, het sterrenstelsel.
(29) Beheersing met het centrum van het sterrenstelsel resulteert in kennis van de vooruitgang.
(30) Vanuit het centrum beheerst is er kennis
van de structuur van de verschillende vormen van de cyclische tijd, de
cakra-orde.
(31) Met het beheersen van de keelholte is men honger
en dorst de baas.
(32) Meesterschap over de maagstreek, het reguleren van de
eetgewoonten, geeft stabiliteit.
(33) Beheersing van de lichtbeelden in het hoofd geeft de perfectie
van het direct waarnemen.
(34) Anderszins resulteert het zich beheersen met
wat zich in de geest opwerpt in kennis van alles wat er maar is.
(35) Het hartsbelang meester zijnde krijgt men inzicht
in de werking van het bewustzijn.
(36) De goede zin en
aard van een persoon verschilt absoluut van zijn bewustzijn, dat
één ermee zijnd leidt tot ervaring; maar gescheiden in
het beheersen van het eigene ontstaat er ware kennis van de persoon.
(37) Van daaruit ontstaat er dan waarneming, horen, aanraken, zien,
proeven en ruiken. (38) Deze vermogens die men zo oproept vormen
obstakels voor de verzonkenheid. (39) Met het loslaten van deze oorzaak
van gebondenheid en de beweging van het denken ermee, krijgt men
toegang tot het bewustzijn van het lichaam van een ander. (40) Met het
beheersen van de opgaande adem stijgt men uit boven modder, water,
doorns en dergelijke, zodat men er niet mee in contact staat. (41) Met
de beheersing van het middenrif realiseert men zich de uitstraling.
(42) Met de beheersing van het horen in relatie tot de ether ontwikkelt
zich het goddelijk, bovenzinnelijk gehoor. (43) Met de
beheersing van het lichaam in relatie tot de ether wordt het
zo licht als een pluk katoen en kan men, er één mee
zijnd, zich door de ether bewegen. (44) Als men zich buiten zijn
lichaam bevindt worden de gedachten over wat er van buiten is
reëel, de afscherming van het licht is dan doorbroken. (45) Men
verkrijgt meesterschap over de elementen door zich te beheersen op hun
aanwending, samengaan, fijnstoffelijkheid, vorm en massa. (46) Daarvan
doet zich het vermogen voor in het kleinste door te dringen, het
vermogen (buiten-)lichamelijke ontmoetingen te hebben en daarin naar
aard en functie tegenspel te bieden. (47) Het zich fysiek manifesteren
kan een compacte, harde, krachtige en aantrekkelijke vorm aannemen.
(48) Door zich te beheersen met het valse ego, ofwel met de intentie
van het samengaan van het ik-bewustzijn van het kenproces met de
uiterlijke verschijningsvorm, ontstaat de zinsbeheersing. (49) Men is
dan, met het leiden van een bestaan buiten de zinnen om, zo snel als
men denkt en men heeft dan de oerstaat van de primaire materie onder de
knie.
(50) Het is alleen
hij, die het verschil kent tussen de goede zin en aard van een persoon
enerzijds en zijn bewustzijn anderzijds, die de heerschappij over al
het bestaande en de alwetendheid bereikt. (51) Werkelijke vooruitgang
boekt men als men als zijnde de wortel van de gebondenheid zelfs dit -
willen heersen en kennen - loslaat. (52) Geroepen zijnd tot een
superieure positie kan weer opnieuw het onwenselijke zich voordoen als
men niet lacht om een dergelijk omgaan met de werkelijkheid. (53) Het
is zo, dat door zich te beheersen met de opeenvolging
der tijdsmomenten [dus door
met een goed tijdschema van mediteren niet meer in de tijd gestoord te zijn] men
komt tot het spiritueel inzicht van de volle realisatie. (54) Hierdoor
is men van begrip voor dat wat gelijk blijft losstaande van een andere
bestaanstoestand, plaats, kenmerk of geboorte. (55) Al het zijnde
straalt hem toe als hij [als de zelfbewuste getuige] te allen tijde
buiten de orde staat van het bestaande; dit nu is verheven kennis. (56)
Dit pure op zichzelf bestaan staat gelijk aan het zuiver goede van de
persoon.
IV
Wat vooruitgang inhoudt
(1) Een nieuw leven
beginnend kan men met boetedoening, mantra's, wierook of
natuurgeneesmiddelen en verzonkenheid, de perfecties tot stand zien
komen. (2) In een nieuw bestaan gaat een transformatie van de
materiële natuur in vervulling. (3) De directe oorzakelijkheid van
de natuur heeft op zich geen doel, maar kan anderzijds dingen van
elkaar scheiden door begrenzingen te vormen zoals een boer dat doet.
(4) Het is enkel door het ik-bewustzijn dat zich verschillende
bewustzijnsfenomenen aftekenen. (5) Hoewel het bewustzijn
één is, is er in de persoonlijke ontwikkeling het effect
van talloze verschillende bewustzijns- of bestaansvormen. (6) Van hen
zijn alleen zij die van de meditatie zijn vrij van discontinuïteit
in het leven. (7) Dat wat iemand die van de bewustzijnsvereniging is
doet, is wit noch zwart, maar dat wat anderen doen is drievoudig van
aard; d.w.z. dan weer duister, dan weer helder, en dan weer ertussenin.
(8) Dat wat men - degene die telkens weer opnieuw beginnen moet -
daarvan meedraagt rijpt al naar gelang hetgeen zich in de geest
voordoet aan gedachten en verwachtingen. (9) Ondanks de afscheiding
door plaats, tijd en geboorte is er een ononderbroken heugenis van die
verworvenheden, die van een gelijke identiteit is. (10) Wat men zo met
zich meedraagt bestaat sinds mensenheugenis en vormt een onophoudelijke
reeks van vragen en verlangens in de mens. (11) Hun samenhang in het
zelf berust op het hechte verband tussen oorzaak en gevolg; als dat
verband verdwijnt dan verdwijnen de vragen. (12) De eigen aard bestaat
in verschillende condities: het karakter van iemand in het verleden
blijft behouden in de toekomst. (13) De kwaliteiten of geaardheden van
dat zelf zijn dan weer manifest, dan weer van het subtiele lichaam met
de verschillende condities. (14) Door de eenheid van het zelf temidden
van de verandering is er zo een werkelijk bestaande essentie. (15) Ook
al blijft het werkelijk bestaande hetzelfde, toch is er verschil van
bewustzijn vanwege de twee verschillende wegen - van manifest of
subtiel bestaan - die men bewandelt. (16) Wat geeft het als dat wat
werkelijk bestaat niet wordt opgemerkt, het is immers niet afhankelijk
van dit of dat bewustzijn. (17) Het werkelijk bestaande wordt gekend of
niet gekend, afhankelijk van de verwachtingen gekoesterd in het
bewustzijn die er kleuring aan geven. (18) Met de wisselingen van het
bewustzijn wordt de meester ervan, de persoon of ziel, steeds
gekend omdat die onveranderlijk is. (19) Het bewustzijn heeft geen
licht van zichzelf omdat het als een op zichzelf bestaand iets waar te
nemen is. (20) Het bewustzijn kan bovendien niet op hetzelfde moment
zich van beide staten verzekeren. (21) Met twee bewustzijnen zou er,
door een overvloed aan onderlinge zelfoverwegingen, een verward
geheugen zijn. (22) De ziener die zijn eigen onveranderlijke status
heeft bereikt heeft daarin een intelligentie apart. (23) Het bewustzijn
dat zowel de kenner als het gekende reflecteert is dan alomvattend - en
niet meer verward. (24) Hoewel dat bewustzijn met talloze indrukken
behept is, is het, vanwege het feit dat het gericht is op dat hogere
nut, van een goede consistentie. (25) De ziener van onderscheid
verzekert zich van het bestaan van de ziel en vindt zo de uitweg. (26)
Van diepgang zijnd is het bewustzijn dan aangetrokken tot het doel van
de vooruitgang, het doel van de emancipatie: de onverdeelde, verlichte
staat van het hoogste geluk. (27) Sluimerende impressies doorbreken dat
vaste vertrouwen, dat geloof, in geval van een breuk in de discipline.
(28) Zoals gezegd (in II 10 & 11) gaat het om het uitbannen van
deze moeilijkheden.
(29) Als men zelfs
vrij is van verlangens aangaande deze beloning, en daar met het volle
onderscheid standvastig in is, is men verzonken in de wolk van de ware
aard der gerechtigheid: is men van het geheel van alle vormen van juist
gedrag - van God. (30) Het is dan dat het baatzuchtig streven oplost en
er een einde komt aan de moeilijkheden. (31) Dan vrij zijnd van alle
versluiering aan onzuiverheden is men van geestelijk inzicht en doet de
oneindigheid van het kenbare zich als onbeduidend voor. (32) Daarmee
succesvol tot ontwikkeling gekomen vindt het onderworpen zijn aan de
natuurlijke geaardheden dan zijn volkomenheid van orde. (33) De orde
der dingen wordt volkomen duidelijk als men zich niet langer verzet
tegen de ononderbroken opeenvolging van momenten, niet tegen de gang
der tijd ingaat (zie ook III-30). (34) Met de burgerdeugden afgehandeld
[van het reguleren van de lust, het geld, het juiste handelen voor
zichzelf en de bevrijding ermee in gezamenlijke toewijding], keren de
natuurlijke geaardheden [van goedheid, hartstocht en onwetendheid]
terug tot hun oerstaat van evenwicht, welke de vestiging is van de
zaligheid van de eigen oorspronkelijke aard, ofwel de macht van het
zuivere bewustzijn, en daarmee is het dan gezegd.