Pamflet
voor een Nieuwe Energiepolitiek
"De
formulering van een probleem is vaak
essentiëler dan de oplossing ervan,
die slechts een kwestie van mathematische en
experimentele vaardigheid kan zijn."
&endash;
Albert Einstein
5)
Het
paradigma van de relatieve ether
Het
huidige, heersende paradigma kunnen we het
paradigma van het relativisme
noemen dat is gebaseerd op de oude
formuleringen van Einstein
toen hij de aanname van het bestaan van de
ether voor 'onnodig' verklaarde. Het
relatieve van de moraal en de materie is op
zich niet verkeerd, integendeel, maar het
-isme ervan is verkeerd als we daarmee gaan
beweren dat er niets absoluuts meer zou
bestaan. Dat was nooit Einsteins bedoeling en
hij ergerde zich ook aan deze interpretatie.
Natuurlijk is, net zoals je religieus de
heilige drie-eenheid van de Vader, de Zoon en
de heilige geest hebt als een absoluut
gegeven, de tijd, de ruimte en de materie ook
een absolute drievoudige gegevenheid
waarzonder men niet kan leven en redeneren,
zelfs niet in de hemel. Dat je de tijd
relatief, d.w.z. afhankelijk van een raamwerk
moet bezien doet hier niets aan af. De tijd
blijft onveranderd het absolute
levensbeginsel van het geschapen universum.
Het relatieve vormt t.o.v. het absolute een
fundamentele dualiteit die niet zomaar in
tweeën kan worden geknipt met het
onbestaanbaar noemen van één
helft. Relativisme is dus fout en het
absolutisme is dat net zo goed. Einstein zelf
had het ook liever over een theorie van
invarianten, het ging hem om het absolute
van de lichtsnelheid. Dat was voor hem een
rekenoefening, het axioma van een constante
lichtsnelheid vormt zijn rekenbasis. De vraag
i.v.m. de onvermijdelijke dualiteit van
relatieve t.o.v. absolute waarheden is hier
meer: 'hoe ontsnappen we aan de eenzijdigheid
die fundamentele
dualiteiten de nek probeert om te draaien?'
Het ontkennen van de oude ether als een
abolute grootheid ten gunste van een
relatieve, moderne ether in de vorm van de
vierde dimensie van de tijdruimte
of
ruimte-tijd
('spacetime')
t.o.v. de drie bekende dimensies is een foute
zaak. Het relatieve van de ether in de
gemanifesteerde wereld (de gekromde
ruimte-tijd) sluit nog niet de absolute
werkelijkheid uit van de oertoestand die aan
die relativiteit ten grondslag ligt. Het
absolute van de ether was er voordat ze in
haar symmetrie
brak en
tot manifestatie leidde en ze is nog steeds
meetbaar als de kosmische
achtergrondstraling
die in het ontstane universum aanwezig is als
uitdrukking van een eeuwigdurende,
tijdruimtelijke expansie die alles overtreft.
M.a.w. het absolute bestaat altijd naast het
relatieve. Religieus gezegd: God is er naast
dat wat Hij voorbracht, want delen hebben
altijd een geheel. Al het bestaande maakt
deel uit van haar Grote Verzameling. Met het
relatieve van de schepping is er ook het
absolute van wat natuurkundig de
singulariteit
wordt genoemd waar alles uit voortkwam en
weer naar terugkeert. Je kan het ene niet
tegen het andere wegstrepen. Als we met onze
vierde generatie vrije energie technologie
vooruit willen moeten we de onwetendheid
rondom de dualiteiten betreffende het
energiebegrip aanpakken. Dus allereerst gaat
het om de vraag: wat is nu eigenlijk
energie?
Als we niet
weten wat energie is met de omschrijvingen
E=MxV2 (Leibnitz) of
E=MxC2 (Einstein), dan hebben we
dus een crisis zoals je ook een
identiteitscrisis hebt als je niet weet wat
je identiteit is of een economische crisis
als je niet meer weet wat geld nou eigenlik
is (namelijk een afhankelijke variabele die
wij manipuleren, het is een middel en niet
een doel). Energie laat zich zoals
natuurkundig bekend is herkennen in het
arbeidsvermogen dat zich laat uitdrukken als
de snelheid van massa tot aan de
lichtsnelheid toe. Maar definieert die
omschrijving wel wat energie is? Als de
koningin wordt omschreven als een dame met
een kroon in een gouden koets, is dat dan de
definitie van een koningin? We weten dat
mevrouw van Buren, Beatrix van Oranje, de
koningin ook is als ze niet in de gouden
koets zit met een kroon op. Taalkundig komt
het dan neer op de vraag: wat is het verschil
tussen een definitie en een omschrijving?
Maakt de natuurkunde wel bewust onderscheid
tussen dat wat een definitie is en dat wat
een omschrijving is? Zo nee, is dat gebrek
aan onderscheid dan misschien de reden van de
energiecrisis, van die aangelegenheid die ons
heeft aangezet tot dit schrijven over de
energiekwestie en de orde van de tijd? Van
Dale:
Definitie:
"Een samenvattende omschrijving van de
kenmerken van een begrip, zodat het niet
met een ander verward kan worden.
"
Omschrijving:
"Nadere beschrijving of
verklaring."
Beschrijving:
"Volledige opsomming der bijzonderheden en
kenmerken van iets of iemand".
Een
beschrijving is misschien volledig maar
wellicht niet exclusief zoals een definitie
vereist. Zo kan je met een beschrijving van
wat energie is in de war raken met de
beschrijving van wat een kracht is. Kracht is
immers pas energie als je die kracht
aanwendt. Als de natuurkunde dit onderscheid
niet zo nauw neemt zegt Einstein ons met zijn
formule: de kracht van het licht bestaat
eruit dat het massadeeltje ervan, het foton,
de lichtsnelheid heeft terwijl het (in
zichzelf rond-)beweegt met de lichtsnelheid
(en het kwadraat van C vormt). Begrijpelijk
klinkt dat wel en Interessant is het ook
nietwaar? We hebben nu Einsteins beschrijving
het karakter van een verklaring gegeven door
ervan uit te gaan dat energie en kracht
makkelijk te verwarren begrippen zijn. Van
Dale weer:
Energie
in verband met personen: kracht
waarmee men iets doet, naar iets
streeft.
Elektrische
energie: arbeid geleverd door een
elektrische energiebron, arbeidsvermogen
van de elektriciteit.
Kinetische
energie: energie die samenhangt met de
beweging van een voorwerp.
Potentiële
energie: energie die een voorwerp
heeft als gevolg van zijn plaats (bv.
zwaartekrachtenergie), vorm (bv.
uitgerekte veer) of toestand (bv. batterij
met elektrische energie).
We zien aan
deze definities dat energie verward met de
kracht waarmee men iets doet verwijst naar de
persoon. In andere samenhang verwijst het
naar de arbeid ermee verricht of naar
zichzelf. Van definities die naar zichzelf
verwijzen worden we niet veel wijzer. Wat is
zo bezien b.v. de energie van het licht? Is
die energie nu elektrisch, kinetisch of
potentieel? Mogen we dat kinetisch afleiden
uit de snelheid van een foton in een
vacuüm uitgaande van het feit dat het
wegzuigen van lucht geen medium meer overlaat
dat dan nog weerstand kan bieden? Is zo'n
veronderstelling wel waar als we weten van
z.g.
zwaartekrachtlenzen
dat fotonen zich anders gedragen in
zwaartekrachtvelden? Het vacuüm is z.g.
niks, maar het doet wel wat met het licht
dus. Feitelijk weten we zo niet wat de
energie van het licht is. Men werkt met
aannames van beschrijvingen en constanten die
met bijbehorende theorieën dan moeten
bewijzen dat ze de werkelijkheid redelijk
dekken, meten of voorspellen. Een
beschrijving echter kan de verklarende
capaciteit missen die een definitie vereist.
We kennen dan de energie wel, mathematisch,
natuurkundig etc, maar snappen waar we het
over hebben is dan nog niet zomaar het geval.
Taalkundig gezien hoeft zoals we hierboven
zagen een beschrijving nog geen verklaring te
zijn, een definitie moet dat echter wel,
willen we echt, d.w.z. uitsluitend en
verklarend beschrijven wat we zien.
Verklaringen zijn er om zaken te begrijpen,
omschrijvingen niet. M.a.w. Einstein, die
geen analyserend filosoof was maar meer een
experimenteel denker, geeft met zijn
beschrijving E=Mc2 nog niet zomaar een
verklaring van wat energie is, hij beschrijft
slechts één van de mogelijke
natuurlijke relaties die samenhangen met het
energiebegrip, uitgaande van een ongehinderde
maximale snelheid, een constante snelheid,
van het licht in de ruimte. Wat er dus
feitelijk nodig is als we willen snappen waar
we het over hebben is een fundamentele,
samenvattende omschrijving die als verklaring
kan dienen, die tot dat begrip leidt dat een
einde maakt aan de energiecrisis die is
gebaseerd op deze onwetendheid over wat
energie is. Wat je niet goed kent kan je ook
niet goed beheersen. Kennis is immers macht.
Wat je goed kent en kan beheersen kan dan
niet een crisis inhouden. In een crisis ben
je de beheersing namelijk kwijt: de
beheersing bleek vals te zijn! Er is begin 21
eeuw een strijd gaande over de energiebronnen
en de prijs van de energie waardoor we niet
naar b.v. de betere plasmaschermen meer mogen
kijken zoals de nederlandse regering medio
half maart 2009 verkondigde, want die nemen
meer energie en we hebben een energiecrisis.
Dus... Zullen we met dergelijke
crisismaatregelen dan niet eens gaan
onderzoeken wat de beste verklarende en
operationele definitie van het energiebegrip
is? Een verklaring dus waar we mee kunnen
opereren, aan de slag kunnen, en die
duidelijk maakt dat onze strijd over de
bronnen, de schaarste en de prijs op
onwetendheid berustte. Kan energie, als we
even Einstein vergeten, b .v. misschien
onafhankelijk van massa bestaan en zich
uitdrukken in iets anders dan de snelheid van
meetbare deeltjes materie als fotonen? Kan
het misschien de vibratie van een
ongemanifesteerde vorm van de materie zijn,
ofwel iets protomaterieels zijn, energie die
nog niet materieel is, maar slechts virtueel
of potentieel? Taalkundig is dat wel
toegestaan in ieder geval. Van Dale:
Virtueel:
als mogelijkheid of vermogen aanwezig, in
werkelijkheid of werkzaamheid kunnende
treden.
Neem
bijvoorbeeld de stelling: een magnetisch
veld structureert de energie van de ruimte
die het medium voor het magnetisme vormt.
Dat is een stelling die uitvinders vaak
bezigen met het ontwikkelen van hun pogingen
tot vacuümenergieconversie. Dat veld is
niet zichtbaar materieel, maar is wel
afhankelijk van de materie, de massa
en de kwaliteit van de magneet. Een
magneetveld is dus secundaire of subtiele
materie, wel tastbare, maar geen zichtbare
materie. De energie van de ruimte zelf hoeft
echter niet van die afhankelijkheid te zijn.
De magneet volgens de stelling produceert de
energie niet, ze structureert die energie
alleen maar. Zonder de magneet is die energie
dan ongestructureerd, d.w.z. dat ze niet
materieel gerelateerd bestaan kan als een
chaotisch bewegend graviton deeltje of als
een losse onafhankelijke snaar van trilling
zoals resp. de kwantummechanica
en de snaartheorie
dat voorstelt. Ook spreekt men in dit verband
behalve van vacuümenergie, zoals we in
hoofdstuk twee al zagen, van donkere
energie,
nulpuntsenergie,
of van het loskoppelen van de bepaalbaarheid
van de impuls en van de positie van een
deeltje (onzekerheidprincipe
van
Heisenberg).
Ruimte kan je modern theoretisch-natuurkundig
zien als losstaande, onafhankelijke,
massaloze energie. Maar de vedische
literatuur b.v. zei reeds duizenden jaren
voor Christus: de ether, net als de ziel,
vermengt zich nergens mee (B.G.
13.33).
Dus echt iets nieuws onder de zon zijn deze
ideeën niet.
Een
statische, conservatieve
kracht
als het magnetisme en de zwaartekracht kan op
zich geen werk verrichten of energie leveren.
Maar kan logisch gesproken de combinatie van
twee van die conservatieve krachten ook
conservatief zijn? Het verschil tussen die
twee fundamentele natuurkrachten kan je
uitdrukken in termen van tijd, want alle
verschillen die we kennen kan je beschrijven
als tijdsverschillen. Een verschil tussen
twee krachten, conservatief of niet, houdt
dan in samenhang gebracht met de materie
kinetische energie in, ofwel een meetbaat
tijdsverschil. De wijzen (bij name van
Herakleitos,
Plato
en
Aristoteles)
zeiden reeds: alles beweegt, pantha
rhei,
niets is ooit, alles wordt en niets is
standvastig, ofwel het universum leeft en
beweegt. Dat is het absolute van de tijd: er
is altijd beweging, een krachtenspel, een
tijdsverschil als er afstand is, een verschil
met de materie dat we de ruimte noemen. De
ruimte is zo bezien dan pure tijdenergie, het
resultaat van een spel van de verschillende
krachten van de tijd, d.w.z. de fundamentele
natuurkrachten die op zichzelf bekeken
conservatief zijn. En dit begrijpen van de
ruimte-materie-tijd drie-eenheid moeten we
aannemen als een correcte definitie van het
geheel van het natuurkundig voorwerp van
studie omdat we het zo voor ons zien: de
magnetische aarde draait rond en produceert
bliksemflitsen in samenhang met de
zwaartekracht die ze heeft. Dat is wat we
zien, elektrische energie uit roterend
magnetisme, de aarde is een dynamo
aangedreven door de tijd en onze geest
beweegt in overeenstemming met de afgesproken
definities. Zo kwam
Faraday
tot zijn experimentele bevinden en hebben we
vandaag de dag elektromotoren op basis van
roterende magneten. En nu weten we ook wat
energie is: een tijdsverschil gevormd door de
materie in de vorm van de ruimte. Ruimte als
tijdenergie is het resultaat van de
wisselwerking tussen de verschillende vormen
van de tijd: uitdijing of voorwaartse tijd,
samentrekking of terugwaartse tijd en
rotatie. Het is een evenwicht van uitdijing
en samentrekking van het centrifugale en
centripetale van de materie van planeten en
sterren in beweging die we samen bij elkaar
het universum noemen. De term vrije energie
heeft dus natuurkundig gezien betrekking op
ongebonden energie, de energie van de ruimte,
de energie van het z.g. vacuüm, ofwel
gewoon ruimte-energie, een energie die je in
principe, logisch gesproken, kan converteren
naar kinetische, bruikbare energie door de
fundamentele natuurkrachten, de verschillende
vormen van tijdenergie die ermee samenhangen,
tegen elkaar uit te spelen. Daarom draagt dit
boek de titel 'de Energiekwestie en de Orde
van de Tijd".
De natuurkunde
is geen filosofie, noch taalkunde, en daarom
halen de vaak onbegrijpelijk redenerende
natuurkundigen niet alleen makkelijk dat wat
een omschrijving is en een
definitie vormt door elkaar, ze
verwarren ook dat wat een principe is
met een wet en dat wat een
constante is met dat wat
absoluut is. In de speciale
relativiteitstheorie, die rond 1900 ontstond
vanuit het onvermogen de ether aan te tonen,
verabsoluteert Einstein de maximum snelheid
van het licht in de ruimte tussen planeten,
maar later bleek dat dat weer niet geldt voor
'ongecodeerd' licht dat dan dus, net als
zwaartekrachtgolven, sneller dan het licht
kan gaan (zie artikel).
Sedert de deense astronoom Ole
Romer in
1676
de eerste metingen deed naar aanleiding van
de eclipsen van de manen van Jupiter, zitten
we nu inmiddels met licht dat sneller gaat
dan het licht. Goed, het maximum is dus geen
maximum, maar dan snappen we dus niet meer
wat de natuurkunde met de term constant
bedoelt. Einstein zelf kwam, om de verwarring
te completeren er in 1920 ook op terug toen
hij in het boek "Relativity: the special and
general theory" stelde : . . . according
to the general theory of relativity, the law
of the constancy of the velocity of light in
vacuo, which constitutes one of the two
fundamental assumptions in the special theory
of relativity [. . .] cannot claim
any unlimited validity. A curvature of
rays of light can only take place when the
velocity of propagation of light varies with
position. Maar dat via de
achterdeur van zijn gekromde ruimte weer
suggereren van een ether die variaties in de
lichtsnelheid geeft, weerhield de moderne
navolging door de natuurkunde er niet van om
dat soort variaties zoals Einstein die hier
vermeld onzinnnig te noemen.
In
de wikipedia pagina
hierover
zegt men: "the speed of light sets an
absolute speed limit to how fast matter or
information can move", en daarin zien we
hoe een maximum tot een absoluut iets wordt
verheven. C (celeritas,
snelheid) is God, en de rest is relatief,
ondergeschikt, punt uit, zo gelooft de
moderne natuurkundige, anders is hij een
gevallen ziel. De zaak was verabsoluteerd,
het dogmatisch kwaad was geschied en de
psychologie van de theoretische consonantie,
zeg maar de valse trots van de zwamneuzen,
kon niet meer worden teruggedraaid (zie o.a.
C.M.
Will, "Was Einstein Right?" - Basic Books,
1986).
Het
relativiteitsprincipe waar Einstein zijn
latere algemene relativiteits theorie over de
zwaartekracht op baseerde staat ook wel
bekend als het equivalentieprincipe
waaruit later zijn postulaat van
E=mc2 voortkwam. Dat
oorspronkelijke equivalentieprincipe, dat
teruggaat tot Galileo
Galilei
(1564-1642), wordt door onze beste Albert per
vergissing verdedigd als een absolute
waarheid, als een natuurwet. Het principe
houdt in dat de inerte massa van een voorwerp
als gelijkwaardig aan de zwaartekrachtmassa
wordt behandeld. Het verschil tussen die twee
krachten, te weten, de zwaartekracht werkt
centripetaal, de inerte massa werkt lineair
als een z.g. vectorfunctie,
dwz haaks, gelijk aan of tegengesteld op die
richting, werd al door Newton verwaarloosd en
Einstein baseerde op die krachtsinductie, op
dat verlies aan onderscheid, zijn notie van
de onafhankelijkheid van de werking van de
zwaartekracht. Hij stelde de zwaartekracht
gelijk aan de kunstmatige zwaartekracht, of
de inerte kracht die een met G versnellende
ruimtesonde aan zijn passagiers geeft. In
feite is, psychologisch gezien, de algemene
relativiteitstheorie dus een rationalisatie
van het onvermogen om experimenteel een
verschil aan te kunnen tonen tussen deze twee
krachten. De kunstmatige zwaartekracht die je
zelf opwekt met een versnellend ruimteschip
kan inderdaad niet zo'n verschil opleveren,
dat is nogal logisch. Maar waarom zou die
inerte kracht steeds als een kunstmatige
zwaartekracht moeten werken? Dat is
natuurlijk onzin of, wat netter filosofisch
gesproken, het is een drogreden, ofwel
sofisterij om daar van uit te gaan. Het is
een vorm van redeneren die we vaak in de
moderne natuurkunde tegenkomen: "stel dat we
in een ruimteschip de lichtsnelheid naderen,
dan worden we oneindig zwaar" Onzinpraat dus
zo bezien (zie b.v. het wat dit betreft
typisch schoolse verhaal van Stephen
Hawking
"Een
korte Geschiedenis van de
Tijd").
Deze zwaartekrachttheorie van Einstein
leverde dus ook nooit een
anti-zwaartekrachtmachine op. De eigenlijke
vraag die moet worden gesteld is natuurlijk:
wanneer koppelen die twee verschillende
krachten zich, afgezien van de richting, los?
Want in verschillende richtingen
geprojecteerd kunnen ze nog steeds hetzelfde
zijn. Dat loskoppelen zal toch wel moeten als
je iets wilt organiseren met de
zwaartekracht. Dus, kan dat eigenlijk wel?
Uit observaties in miljoenen files
gedocumenteerd bij de z.g. geheime diensten
over de gehele wereld (verlegenheidsdiensten
eigenlijk, zie b.v Project
Bluebook),
blijkt dat vliegende schotels (UFO's) wel de
beheersing machig zijn tegen de wetten van de
aerodynamica in van wat we de tijdruimte, of
ruimtetijd noemen (iemand die het niet snapt
maakt er een verschil tussen). Maar die
observaties gelden "wetenschappelijk" niet
omdat ze niet herhaalbaar zijn, ze zijn
namelijk (exo)cultureel
of supernatuurlijk. Het experimenteel
bewijs van onze controle ontbrak en
daarom kwamen we uit op de merkwaardige
inzichten van de speciale
relativiteitstheorie waarover de gewone
burger terecht zegt: 'ik luister ernaar, maar
ik snap het niet meer', ongeveer zoals we met
de speciale relativiteitstheorie ook allerlei
geks te horen kregen toen
Michelson en
Morley
de ether niet aan konden tonen met hun
experimenten naar mogelijke variaties in de
lichtsnelheid als indicator. Dat vormde de
basis voor de z.g. tweede wetenschappelijke
revolutie en Albert Michelson kreeg er de
Nobelprijs voor in 1907 nota bene. Als iemand
je een dom gevoel bezorgd, kan dat heel goed
het besef van de domheid van die persoon
zijn, maar als je die echter niet als dom wil
zien omdat je hem collegegeld betaalt b.v. ,
dan moet je jezelf betwijfelen. Als licht een
materieel deeltje is, een foton, en
ruimte-energie een virtueel of potentieel
protomaterieel deeltje vormt, dan snap je dat
die relatie tussen het licht en de ether
misschien toch wat gecompliceerder ligt dan
je met metingen naar de lichtsnelheid kan
behappen. In ieder geval filosofisch logisch,
en taalkundig semantisch verantwoord kan je
dit zeker stellen. De speciale
relativiteitstheorie die van eerdere datum
was kan, net als de latere algemene
relativiteitstheorie, dan ook psychologisch
worden gezien als een rationalisatie van het
onvermogen om de ether te bewijzen. Met de
inzichten van die rationalisatie dat de tijd
niet meer absoluut is en onderhevig is aan
zwaartekracht....waar of niet waar? ....mogen
we ons dan afvragen of we nog wel op de goede
weg zijn hier. Het probleem met
rationalisaties is gedragswetenschappelijk
dat ze op zich niet onwaarheid hoeven in te
houden, maar dat die waarheid alleen
overbodig is, meer een neurotisch
compenstiepatroon of een defensiestrategie
van het ego vormen die als een wolk van
gedachten tussen jou en de werkelijkheid
staan.
Met de algemene
relativiteitstheorie veranderde het
relativiteitsprincipe van de
massa-equivalentie in een fundamentele
aanname, ofwel het principe dat in een aantal
gevallen opgaat werd tot een algemene wet
waar we niet van willen en mogen afwijken, of
beter gezegd, waar we een paradigmatisch
dogma aan hebben dat feitelijk stelt: "ik
beheers het, dus bestaat het". Maar als
iemand volgens dit dogma experimenteel een
verschil tussen de inerte massa en de
zwaartekrachtmassa kan aantonen, dan wel
ruimte-energie kan omzetten met een
zelflopende ethermachine of
vishnu-yantra, is het gedaan met dit
bolwerk van logische ketterij, en vallen
beide theoriën van het relativisme in
duigen. En dan zijn plotseling, met het
wegvallen van de schellen op de ogen, alle
erbij behorende berekeningen een illusie van
wetmatigheid, een rationalisatie waarvan de
complexiteit het gebrek aan praktische logica
moet verhullen. Als we die illusie, die
ketterij kunnen omzeilen die bestaat tegen
het gezonde verstand in dat eigen is aan de
overige sociale en menswetenschappen - de
psychologie voorop -, zijn we bevrijd van het
idee van aangeleerde hulpeloosheid, van de
depressie dat het quivalentieprincipe, dat
postulaat, niet te doorbreken zou zijn en
zijn we klaar met de energiekwestie, met deze
studie dus. Aan alle karma-yoga komt een
eind. Leonardo moet vrij. Ofwel, als dat
lukt, en waarom zou deze yogi dat karma niet
kunnen inlossen, het is immers de genade van
de Godheid van de Yoga (Yogis'vara) dat dat
steeds relatief makkelijk lukt, dan zijn de
relativistische rekenmethoden net zo
nutteloos en bedrieglijk als de ether
nutteloos en op zelfbedrog leek met het
probleem dat we hadden om die klaarblijkelijk
protomateriële substantie te bewijzen
middels een geslaagde en navolgbare omzetting
van die eterische ruimtevibraties in
kinetische energie. De religie levert het
bewijs dat we energie van de ether krijgen al
sedert mensenheugenis door met de Heer der
ether, voor Christenen de Vader geheten, de
gemeenschap benen die lopen in de richting
van de kerk te geven. Maar de natuurkunde kan
dit wapenfeit tot nu toe niet op zijn naam
schrijven, experimenteel niet en sociaal al
helemaal niet anders dan in colleges van
professoren die slechts een tijdelijke cursus
bieden. Maar goed, gezegd moet worden hier
dat, totdat het relativisme aldus ten val
komt, de redenering die hier nu is opgezet
alleen maar het verketteren is van geketter,
dus geketter in het kwadraat, ofwel nog
vervelender en frustrerender dan de
oorspronkelijke rationalisatie. We hebben
experimentele bewijzen nodig. Dat is
duidelijk. En wat wil nu het geval? In het
vrije energieonderzoek, zo willen de feiten
besproken in het vorige hoofdstuk, zijn we de
bewijzen tegengekomen waarbij er inderdaad
sprake is van een breuk met het
equivalentieprincipe en vindt men concrete
bewijzen van de ether als energieleverancier
(want we blijven zeggen dat energie niet uit
het niets kan verschijnen, maar wel uit iets
kan worden omgevormd.)
Voor
de duidelijkheid: We spreken dus van een
principe (van Dale: beginsel,
stelregel) als een redenering die in
een gegeven aantal gevallen opgaat, maar
niet in alle ("mijn principes zijn nog
niet de jouwe"). Een natuurwet (van
Dale: een algemeen geldige
regelmatigheid) gaat in alle gevallen
op, is algemeen.
Bruce de
Palma, de voormalige MIT lector werd door de
wetenschappelijke gemeenschap in de zestiger
jaren van de twintigste eeuw uitgestoten, gek
verklaard
min of meer, met zijn 'ketterse'
experimentele resultaat dat Einsteins
relativiteitsprincipe onderuit haalde: een
ronde stalen kogel vliegt roterend verder of
minder ver dan een niet roterende kogel
afhankelijk van de richting van draaiing.
Paramahamsa Tewari (foto links) een
ingenieur die hem wel serieus nam raakte
later in conflict met de Indiase zittende
orde toen hij DePalma's N-machine repliceerde
en effectief verbeterde met de
overunity Space Energy generator die
hij als leidend ingenieur van het Indiase
instituut voor nucleare energie patenteerde.
Ook Finsrud toont met zijn
gravito-magnetische apparaat, zijn 'Perpetuum
Mobile' kinetisch kunstwerk, aan dat de
inerte massa van de door de slingers uit
evenwicht gehouden kogel met het magnetisme
extra energie, ofwel surplus inerte massa,
vormt t.o.v. zijn eigen zwaartekrachtmassa.
Blijkbaar is het blijkens deze twee, niet
gerepliceerde bewijzen van Finsrud en
DePalma, dus mogelijk het
equivalentieprincipe experimenteel te
doorbreken met rotaties die in de natuur niet
spontaan ontstaan kunnen en kunnen we dus
feitelijk zo de onbeholpen logica van de
relativiteitstheorie aan de kant schuiven.
Maar natuurlijk wil de moderne natuurkunde
met het verafgoden van Einstein als de
opperste intelligentie niet door een
psycholoog als ondergetekende weggezet worden
als een dubbele rationalisatie van de eigen
experimentele onkunde. "Wat ik niet kan
aantonen bestaat niet en dus bestaat de ether
niet en een breuk met het equivalentie
principe ook niet", is voor een psycholoog
geen aanvaardbare redenering. Zo kunnen wij
geen geestelijke gezondheid garanderen. Dat
soort ontkennen is meer een symptoom behorend
tot een cultuurneurose van oedipale
ontkenning en verdringing in relatie tot
vadertje Tijd als je het een psychooog
vraagt, en zo'n geestesstaat maakt, als deze
bewijzen bij replicatie solide blijken ten
minste, duidelijk dat Einstein in feite een
warhoofd was en dat Tesla dus gelijk had toen
hij over de moderne (theoretische)
natuurkunde sprak als zijnde mathematische
mystiek zonder veel praktisch inzicht. Later
in zijn leven verging het Einstein ook
aanzienlijk slechter intellectueel. Dat kon
de ouderdom zijn, maar waarschijnlijker is
dat zijn theorie als de psychologische
ontkenning van iets geen progressie
vertoonde. We meenden wel de absolute
lichtsnelheid ermee te zien, maar we zagen
het licht van de toekomst anders dan in
opflitsende paddestoelwolken er zelf
eigenlijk niet mee. Veel verder dan GPS
technologie en de verwerpelijke kerncentrales
die feitelijk moderne stoommachines zijn,
zijn we er praktisch niet mee gekomen.
Einstein kon de knoop die hij had met zijn
aanvankelijke ontkenning van de ether en zijn
tot axioma gebombardeerde
equivalentieprincipe niet ontwarren en niet
tot integratie, niet tot een verenigde
theorie komen. De natuurkunde is aldus, zo
laat het zich vandaag de dag aanzien, een
verzameling losse experimentele inzichten
waar theoretisch, ondanks alle speculaties en
deeltjesversneller onderzoek, de eenheid aan
ontbreekt en waarvan de theorie riekt naar
ontkenning en verdringing. Ook het algemene
autoritaire, slechte karakter van de
gemiddelde pas opgeleide (onvolwassen, pas
afgestudeerde) natuurkundigen die veelal
sceptisch en veroordelend neigen te reageren
op uitzonderingen op het genoemde principe
zoals de inquisitie van de katholieke kerk
moorddadig en misdadig reageerde op
spirituele burgerexperimenten
(kettervervolging), geeft te denken. Er moet
dus iets fundamenteel mis zijn met het
moderne natuurkunde-onderwijs. Het lijkt wel
een prediking met dogmatische volgelingen die
agressief defensief de duurbetaalde studie
proberen te verdedigen en ons 'leken' dom
proberen te verklaren. Is de natuurkunde
misschien de nieuwste religie? Moeten we dat
onbegrijpelijke 'intelligente' geknoei met de
mathematische logica allemaal maar
geloven? En is de t.v. dan misschien
het moderne afgodsbeeld der afstandelijkheid
ter verering van de valse eenmaking van de
standaardtijd die zich rationeel baseert op
de ontkenning en uit zijn natuurlijke kader
verwijderen van de absolute waarde van een
eeuwige veranderende tijd die wel degelijk
een momentane absolute gelijkheid kent die we
het NU noemen, ook al krijgt dat Nu overal
wetenschappelijk (en niet poltiek) een ander
cijfer in de natuur? Zo moeten we het toch
allemaal niet zien..... Einstein zei toch
niet dat wetenschap en religie niet zonder
elkaar konden omdat hij de natuurkunde graag
dogmatisch de scepter zag zwaaien? En
natuurlijk zijn er meer verlichte
natuurkundigen (Bohm bv.).
Volgend
op Einstein's 'bekering' tot een nieuw
etherinzicht, toen hij in 1920 zijn spijt
betuigde over zijn radicale afwijzing van de
ether, ontstond er de moderne
ethertheorie
die
mede zijn basis vond in het werk van de
natuurkundige Wolfgang
Pauli
(1900-1958) die met zijn uitsluitingprincipe
een belangrijke bijdrage leverde aan de
kwantumtheorie van Max
Planck
(1858-1945)
die wèl ruimte biedt aan een soort van
etherdeeltje dat hierna ter sprake zal komen.
Normale elementaire deeltjes (fermionen)
verschillen volgens het uitsluitingsprincipe
absoluut van plaats en zijn altijd een
tijdproduct om die reden. Daardoor is de
ether, ofwel de ruimte die door de materie
wordt beschreven, evenzogoed een absoluut
gegeven. De ether is in de kwantummechanica
dus theoretisch natuurkundig een axiomatisch
gegeven waarzonder je niet logisch kan
redeneren. De nieuwe ethertheorie die
gepopulariseerd werd in de 80-er jaren door
Maurizio
Gasperini
en weer opnieuw onder de aandacht werd
gebracht rond de eeuwwisseling door
Ted
Jacobson en David
Mattingly,
wordt echter begin van de 21e eeuw nog steeds
niet algemeen aanvaard binnen de natuurkunde.
Dit leidt tot discussies en aanvallen op dat
traditionele relativistische bolwerk dat nu
in de weg van de vooruitgang lijkt te
staan.
Zo was er
onlangs (okt. 2007) in Nederland nog een
organisch-fysisch scheikundige genaamd
Marcoen
Cabbolet
(1967)
wiens promotie najaar 2007, heel uniek, werd
afgelast ondanks dat de promotiecommisie zijn
dissertatie reeds had goedgekeurd. Hij had
samen met zijn helaas overleden promotor
Sergey Sannikov uit de Oekraîne ontdekt
dat, in strijd met de inzichten van de
kwantummechanica en de algemene
relativiteitstheorie, er theoretisch gezien
volkomen nieuwe bronnen voor energiewinning
bestaan. Het College voor Promoties van de
technische universiteit van Eindhoven, dat
unaniem oordeelde dat het onderzoek niet
voldoende kwaliteit had, moest later op die
beslissing terugkomen toen bleek dat die
commissie zelf niet deugde. Externe
deskundigen werden ingeroepen waaronder onze
nobelprijswinnaar 1999 Gerard
't Hooft
die zei dat hij 'er geen brood van kon
bakken'. Cabbolet's onderzoek kon niet
kloppen omdat eruit zou volgen dat
antimaterie een positieve rustmassa heeft,
maar toch van de aarde afbeweegt onder
invloed van de zwaartekracht. Maar de
promotor Harrie de Swart liet weten dat het
proefschrift bestond uit een strikt logisch
raamwerk met een natuurkundige interpretatie.
Hij was toch ook niet gek. Cabbolet gaf ten
antwoord dat 't Hooft zich schuldig maakte
aan hol geschreeuw en dat hij kennelijk de
formele logica niet meester was. Cabbolet
kreeg sedertdien niets meer gepubliceerd en
moest een baan bij de KPN op de afdeling
gebruikersondersteuning aannemen.
Van de kant van de
natuurkundig geschoolde
vrije-energieonderzoekers is behalve
Tom
Bearden
en Stefan
Marinov,
ook Prof.
Kanarev
van de plasma-elektrolyse hiervoor besproken,
zeer kritisch over de huidige stand van de
natuurwetenschap. Hij stelt net als Marinov
dat we weer terugmoeten naar de klassieke
fysica van de 19e eeuw en de draad weer
moeten oppakken waar we hem zijn
kwijtgeraakt. Na het postmodernisme zijn we
aan een paradigmatische restauratie toe om de
in de moderniteit verstoorde relatie met de
klassieke orde te herstellen. Marinov stelde
in
zijn wetenschappelijke
testament:
"Ik hoop dat spoedig de (Newtoniaanse)
tijd-ruimte begrippen, welke ik in ere
herstelde middels vele experimenten en door
een eenvoudige mathematische theorie, door de
wetenschappelijke gemeenschap zullen worden
aanvaard als degenen die overeenstemmen met
de materiële werkelijkheid". Kanarev
voegt daar aan toe: "Ik denk aan een
theoretisch virus genaamd de
Lorentz-transformaties waarop de
bewijsvoering van de relativiteitstheorie van
Einstein is gebaseerd. Bij Lorentz werden
tijd en ruimte in twee aparte vergelijkingen
vervat en gescheiden van elkaar. Alleen als
men deze twee vergelijkingen weer heeft
verenigd is het mogelijk om een ware
procesbeschrijving te verkrijgen. Welk
natuurkundig verschijnsel dat ook zou volgen
uit de beschrijvingen van Lorentz's
transformaties, kan men onmogelijk in de
natuur waarnemen." Hij stelt dat we in de
twintigste eeuw onze onderzoeksresultaten
verkeerd zijn gaan interpreteren; we zijn
volgens hem iets vergeten. "Tijd, ruimte
en materie - het zijn de drie niet te
scheiden elementen van een universum"
(zie interview).
En deze eenheid, die al door de Boeddha werd
gepredikt, is precies het punt dat we
in dit hoofdstuk willen maken. Met de
machines van de rechtstreekse, directe
energiewinning zijn we met de vrije energie
van de ruimte bezig. Zonder de tijd, de
materie en de ruimte als één
onlosmakelijk geheel te zien kunnen we deze
wetenschap nooit onder controle krijgen. Niet
alleen natuurkundig, maar ook
sociaal-economisch zijn in de twintigste eeuw
tijd en ruimte twee afzonderlijke begrippen
geworden die geen relatie meer met elkaar
schijnen te hebben. En daarmee zijn we
vervreemd van de natuurlijke werkelijkheid en
van elkaar en hebben we ook niet werkelijk
greep op de materiële wereld. Dit gebrek
aan maatschappelijke en wetenschappelijke
samenhang van deze basisbegrippen van de
natuurkunde, van de heilige drie-eenheid van
de tijd, de ruimte en de materie, ligt ten
grondslag aan de fundamentele gespletenheid
van het oude paradigma van het relativisme.
In dat oude paradigma ontkennen we de ether,
verdraaien we de tijd wettelijk bepaald en
hebben we de materie van de planeet, het
klimaat en de energiewinning niet in de hand.
En daarmee zijn we aan het begin van de 21e
eeuw ecologisch en psycholgisch verkeerd
bezig, gevangen als we zijn in politieke,
wetenschappelijke en religieuze ego's als
waren we een stel sociopaten met TBR.
Er is een uitstekende
lezing
van een gerenommeerde natuurwetenschapper
genaamd Tom
Valone
te bekijken op het internet waarin een
overzicht wordt geboden van de complicaties
voor de wetenschap op het punt van de vrije
energie. Hij deed, zonder direct op de
theorie in te gaan, een grote
haalbaarheidsstudie met daarin de nadruk op
het omzetten van nulpuntsenergie met achting
voor recente ontwikkelingen op het gebied van
b.v. de
nanotechnologie.
Hij refereert aan het werk van Casimir
(ruimtedruk op microniveau), Dr.
Fabrizio
Pinto
(zie ook video
en een artikel),
Mead en Milonni, en hij bespreekt en
analyseert de kernprincipes voor het omzetten
van de energie uit het vacuüm. Hij stelt
daarbij, net als Bearden, dat deze principes
vallen binnen de "thermodynamische,
vloeibare, mechanische en elektromagnetische
gebieden van de fundamentele
krachtsverschijnselen die van toepassing zijn
op alle energiesystemen". Zo noemt hij b.v.
ook recente ontwikkelingen van microdioden
die, zoals bij Moray, de vacuümenergie
opvangen die in principe random fluctueert
maar heel reëel is en niet zozeer
virtueel, zoals Bearden in horigheid aan vele
sceptici dat ter sprake brengt. Hij stelt zo
dat het e.e.a. ook van toepassing is op het
kwantumniveau van de (incomplete) theorie van
elementaire deeltjes. Behalve Valone,
Bearden
(zie m.n. zijn video's Energy
From The
Vacuüm;
op Google: part
1
& part
2)
en Kanarev zijn er ook individuele en
institutionele onderzoekingen van andere
wetenschappers die worstelen met de
paradigmatische energiekwestie:
Lee
Felsenstein die
ook de energiesystemen voor computers
bestudeert, Prof.
Pharis Williams over alternatieve nucleaire
energie en
anti-zwaartekracht
(zijn
site)
en Mark
Goldes
in zijn artikel over Fueling
the Future with Zero Point
Energy
(site)
om er een paar te noemen. Het probleem met
het oude paradigma is dat de gewone man het
niet kan begrijpen. Men ervaart veeleer de
chaos van het post-modernisme. En wat men
niet snapt kan men ook moeilijk in verhouding
zien, aanvaarden of afwijzen. Men weet enkel
dat het niet zoveel uitmaakt in het huidige
denkmodel of de klok nu gelijk staat met de
zonnewijzer of niet. Met die relativiteit van
het tijdsbegrip werd de tijd van zijn
klassieke, absolute waarde ontdaan. De
absolute waarde van de tijd waar
I.
Newton
vanuit ging, hield in dat de tijd van de
passerende zon en de maan een niet te
betwijfelen uniforme voortgang van de materie
van het universum inhield die volkomen
gelijkmatig overal hetzelfde werkzaam is.
Einstein toonde aan dat het begrip
gelijktijdigheid, ondanks de gelijkheid van
het Nu, echter een illusoir idee is. Hij ging
zoals gezegd uit van het axioma van een
constante lichtsnelheid in de ruimte. De tijd
is dan altijd en overal anders, is volkomen
relatief. Ook het klassieke etherbegrip - de
ether als een aparte substantie die
alomtegenwoordig is - dat Einstein
vóór 1920 niet echt meer nodig
vond in de natuurkunde, verklaarde hij, dus
later van gedachten veranderd op dit punt,
relatief: de ether betrof volgens hem de
ruimte met fysieke eigenschappen, de ruimte
in de vorm van een bepaald krachtveld dat per
planeet, ster en melkwegstelsel anders van
werking is. Dat krachtveld maakt verschil in
de relatie met het krachtveld van de
tijdruimte die de uitdijing van het heelal
vertegenwoordigt in een soort van vierde
dimensie van de tijd waarin alle universa
zich uit elkaar bewegen. Wat betreft de ether
ontstond, met deze verandering van mening van
Einstein terwille van het nieuwe, relatieve
etherbegrip (waarmee hij begon in 1916, zie
Kostro
2000),
het probleem dat we de natuurkunde zelf ook
niet meer als absoluut geldig kunnen zien
(zie ook het artikel
over Einstein op de
info-afdeling
van deze site). Het zijn steeds
paradigmatische visies, meningen of
gezichtspunten min of meer, bepaalde vormen
van taal bestaande uit zelf gedefinieerde
termen, die net zo werken als de
verklaringsmodelllen van historici,
psychologen, sociologen, filosofen en
klimatologen b.v., of zoals Tesla het dus
noemde: een natuurkundig geloof, een vorm van
mathematische metafysica waarin de
mysticus in kwestie voorop staat en het
aankomt op het juiste conceptuele 'gevoel'
voor de kwestie. Ook in de natuurkunde
wisselen de meningen, definities en methoden
en die houden zo dan mogelijkerwijs andere
onderzoeksresultaten en meetinstrumenten in.
Met het aanvaarden van een relatieve ether,
in combinatie met het afwijzen van het
relativisme dat de ether helemaal niet wil
kennen, praat ondergetekende nu dapper mee in
deze vrijheid en baseert zich daarbij, meer
vanuit een praktisch psychologisch en
klassiek filosofisch gezichtspunt dan een
vanuit een natuurkundig mathematisch
gemystificeerd standpunt, op het
meetinstument van de tempometer
en het erbij
behorende
begrippenkader
dat als het leidende paradigma fungeert om de
redeneringen aaneen te rijgen tot een
samenhangende visie.
De
Einsteiniaande 'deuk' in de tijdruimte waarop
het huidige
denken over de zwaartekracht en de relatieve
ether berust.
Bij
de twintigste-eeuwse natuurkunde sluit het
idee van de relatieve ether zoals hier
gepresenteerd in eerste instantie aan bij wat
men scalaire
gravitatietheorie
noemt. Dat is een theorie waarin de
zwaartekracht wordt beschreven als een
invariant veld van deeltjes met een spin van
nul (z.g. bosonen) waarop de
tijd/ruimte-verschillen van de door Kanarev
gehekelde Lorenz-vergelijkingen van
toepassing zijn. Rond de eeuwwisseling is er
sprake van een nieuwe
zwaartekrachttheorie
van David W. Allan, Ranae Lee and Jeff
Lorbeck uit 1999. Daarin ligt de nadruk op
vanuit de kern van alle materie uitwaaierende
diallele zwaartekrachtlijnen (zoals in ons
cakra-ontwerp voor een magnetische motor). In
die visie worden de vier fundamentele
natuurkrachten ondergebracht in
één verenigde veldtheorie. In
een meer recente ontwikkeling spreekt men
sedert 2002 van het Aether
Physics
Model
(David Thomson III en Jim D. Bourassa, zie
ook hun boek)
dat de derde grote revolutie in de
natuurkunde vormt na de atoomtheorie van
Dalton in 1803 en de Relativiteitstheorie van
Einstein in 1905. Ons daarin weer opnieuw
aansluitend bij het klassieke ethermodel,
zien we de tijd zelf als een vorm van energie
die voorafgaat aan de tijd die manifest is in
de driedimensionale wereld: evolutionair
bestaat de expanderende, lineaire tijd van de
tijdruimte er voordat er de cyclische tijd
van de geschapen materie is. Er zijn dus twee
fundamentele vormen van tijd: de cyclische en
de lineaire tijd. Lineair is er de energie
van beweging die uitdijt en entropisch tot
chaos leidt en cyclisch is er de energie van
een wervelende tijd die tot orde, tot
structuurverschijnselen leidt en patronen
vormt, lichamen van materie met longitudinale
en transversale golven en zwaartekrachtlijnen
en velden die bestaan uit deeltjes. De
tijdruimte tijd is zo bezien pure oerenergie
die zich mathematisch laat uitdrukken zoals
de materiële energie zich laat
uitdrukken in de termen E=M.C2. We beginnen
de schepping dan met de vergelijking E=T.e2.
Energie is gelijk aan het product van de tijd
en het absolute van de expansie (waarin T is
dan in feite delta T of de verandering van
tijd is, zie ook het artikel Scalar
Wars).
Je kan ook zeggen dat de tijdruimte, de z.g.
vierde dimensie, een energiemanifestatie is
waarin de tijd zelf nog de oerenergie is, de
donkere energie die feitelijk slechts een
oerpotentie van alle kosmische energie in
evenwicht is. Pas als die energie in de
secundaire ether (de ether van de
samentrekking), in werveling komt, uit
evenwicht raakt of zijn symmetrie verliest
zoals de nobelprijswinnaars van
1957
Chen Ning
Yang,
Tsung-Dao
Lee
het stelden, ontstaan er energiedeeltjes die
eerstens nog 'onzeker' zijn: gravitonen,
zwaartekrachtdeeltjes of etherdeeltjes die
niets anders dan kleine, polaire, maar nog
chaotische wervelingen van de oerenergie zijn
van de tijd zelf (formeel met een spin van
twee en niet van nul). Het Ether Physics
Model stelt het zo: 'The Aether has a
dipole of two spheres, which arise as the
oscillation of forward and backward
time.' Die gravitonenvibratie vormt de
bron van de zero-point energie, de
vacuümenergie of de radiant
energy zoals Tesla het noemde. Of zoals
T.H. Moray het stelde: "Radiant
Energy is particles of energy, just as light
is wavelengths
.."
Onzeker betekent dan het virtueel wel of niet
aanwezig, zichtbaar of meetbaar zijn dat
voornamelijk afhankelijk is van de
meetmethode of het gebruikte paradigma: dat
kwantummechanisch 'ruimteschuim' dat Bearden
het 'bubbelen' van het plus en het min van
het vacuüm noemt, ofwel het koken of
kolken van de vacuümenergie. Die
gravitonen vormen eilanden, of wolken in de
oerruimte, eilanden van zwaartekrachtvelden
of tijdruimtedeuken, een soort van
zwaartekrachtmist (de Grieken noemden het
aether of damp). Die eilanden sluiten
allemaal op elkaar aan, zo stelde
reeds
René Descartes het die als een van de
eersten het zelforganiserend vermogen van het
universum omschreef
in
deel vijf van zijn methode en in zijn niet
gepubliceerde werk Le Monde. Hij
beweerde o.a. in dit verband: 'De lege ruimte
bestaat niet' (Principia
Philosophiae XVI &
XVII)
alsmede dat al het bestaande een
transformatie van de ether is.
Een
verwante historische voorganger van het
nieuwe ethermodel is de Kaluza-Klein
theorie vanTheodor
Kaluza
(1885-1954) uit 1921 die uitgaat van een
vijfde dimensie die de zwaartekracht verenigt
met de elektromagnetische kracht. De vijfde,
niet zichtbare dimensie bestaat daarin uit
gecompacteerde, of zoals de zweedse
wiskundige Oscar
Klein
(1894-1977) het noemde, 'opgerolde' ruimte.
De theorie werd recentelijk (sept 2008)
aangevoerd door de braziliaanse
wetenschapper
dr Keppe ter verdediging van het begrip van
energie
als het resultaat van de interactie met, en
van, virtuele velden en deeltjes of van dat
wat je evolutionair gezien
protomaterie kan noemen van een hoger
niveau. Met Einstein's formule
E=M.C2 zijn we volgens hem teveel
gaan geloven dat we materie moeten hebben om
energie te verkrijgen. Materie is echter
eerder een condensaat van (donkere) energie.
Deze theorie, door hem aangevoerd samen met
het Aharanov-bohm
effect
dat energie onttrekt aan kwantum potentialen
en dat als een verklaring voor Bearden's MEG
geldt, zou dat volgens hem ontkrachten en
zijn Bedini-Newman achtige
superefficiënte Keppe-motor (de
Keppien
Scalar motor,
energiereductie tot 80 %) zou het
revolutionaire bewijs ervan vormen. Dit idee
van energie uit een andere dimensie dan de
ons bekende drie, of vier, sluit weer aan bij
de latere snaartheorie
die uitgaat van meerdere dimensies (10 stuks)
van vibrerende, onderling verbonden 'snaren',
vibrerende onderling verbonden
energiefenomenen, meer dan van kwanta of
energiepakketjes als fundamentele deeltjes.
Het graviton of zwaartekrachtdeeltje zou in
deze theorie een niet-verbonden, gesloten
vibrerende snaar zijn die de ruimte vormt. De
snaartheorie wordt daarmee een Theorie van
Alles, een theorie die de vier verschillende
fundamentele natuurkrachten verenigt. Het
graviton zou daarin enkel een losstaande
vibratie van de tijdenergie zijn. Ookal laat
het graviton zich volgens Bohm-Aharanov wel
tot manifestatie verleiden als een
ruimte-reactie op een gesloten magneetveld,
kan het, niet vastzittend aan de andere
dimensies, dimensionaal verschuiven, reden
waarom de zwaartekracht zo zwak zou zijn, en
wellicht vormt dat ook de reden van het
schijnbaar dimensionaal verschuiven (uit het
niets verschijnen en verdwijnen) van
waargenomen UFO's.
Het
echtpaar Correa stelt
in hun
aetheriometrics
als definitie: "Gravitons are transient,
nonelectromagnetic massfree energy particles
whose impulse (gravitational momentum) is
anchored to the mass-energy of particles of
Matter, but which are emitted from the local
Aether medium (formed by the constant and
ordered flux of dark massfree energy and
cosmological lepton lattices). Both gravitons
and antigravitons may also be formed and
seated in the composite lattices composing
the local Aether medium. Gravitons anchored
to mass-energy particles are described
mathematically and physically as being in a
relationship of secondary superimposition
with that mass-energy." Waar bij Einstein
sprake is van een massa/energie verhouding,
is in de theorie rondom het graviton sprake
van wervelingen van de donkere oerenergie van
de tijd, van een moment/energie verhouding
dus. Evolutionair ontstaan vanuit de eilanden
van de gravitonenwolken daarna dan de
elektromagnetische velden in wat Einstein de
kromme ruimte noemde rondom de uit de
gravitonendamp 'condenserende' hemellichamen.
Op lokaal niveau manifesteren de gravitonen
zich in dat condensatieproces daarbij
evolutionair in een verder opgesplitste vorm:
die vormen dan de elektromagnetisch actieve
materiedeeltjes in relatie tot de derde
ether, of de lokale ether van de kromme
ruimte. Na de eerste expansie van de
tijdruimte-energie kwam er dus ten tweede de
tijdruimtevervoming in de vorm van de
gravitonenvelden waarin er met het
polariseren van de gravitonen in een veld van
aantrekking er in het laatste stadium van de
evolutie het ontstaan van elektronen en
protonen met een tegengestelde lading is (de
'rechtsom' en 'linksom' draaiende tijdenergie
in een spoel). Die twee basisdeeltjes
bereiken dan een stabiele
staat samen met het neutrale van de
alomtegenwoordige tijdruimte. En dat neutrale
laat zich dan herkennen in de vorm van het
neutrondeeltje. De uitvinder Joseph Newman
spreekt in zijn video 'Cut
the cost of
oil'
van 'gyroscopische elektromagnetische
deeltjes' die met een dwars op een spoel
bewegende magneet in een bepaalde richting
meer stroom uit die spoel opleveren dan er
nodig is om de magneet te draaien, omdat ze
dan vanuit de buitenruimte aangetrokken door
de draaiende magneet polariseren. Het is een
energieproductie die met een draaiende
magneet twee kanten oploopt en zo
overunity te zien geeft. In
één richting zien we slechts
een transformatie van de kinetische energie
in elektrische energie als we de terugloop
van wat de uitvinder Gray 'negatieve energie'
noemde als storing via de aarde laen
wegvloeien. In het Aether Physics model
spreekt men in samenhang met het graviton
over een 'aether-unit'
met een intern tegengestelde
tijdrichting
dat bestaat uit een positief proton en een
negatief elektronaspect dat zich
kwantummechanisch spiegelt met een antiproton
en een positron (afbeelding rechts). In die
etherunit van het rondraaiende veld dat de
ruimte vormt, is er dan volgens het Aether
Physics model sprake van drie polariteiten:
de elektromagnetische, de elektrostatische en
de gravitationele kracht (afbeelding rechts).
Waar het model spreekt van een reverse
time (zie afbeelding rechts), moeten we
echter een kanttekening plaatsen: de tijd
gaat natuurlijk niet terugwaarts, ze
verandert alleen van richting. In hoofdstuk
twee zeiden we al dat er lineaire en
cyclische tijd is. De cyclische tijd is het
resultaat van het veranderen van richting van
de lineaire tijd van een naar buiten
uitdijende, 'forward' richting van de
energie van het universum naar een naar
binnen gerichte 'reversed' richting
waarmee de materie uiteindelijk in zichzelf
stort in een zwart gat. Omdat de uitdijing
overweegt ontstaat er echter een evenwicht in
de vorm van de tot inertie bewogen energie
van de nog steeds wel dynamische materie die
tussen de uitdijing en aantrekking zijn
bestaan vindt: de cyclische tijd. Dus
uiteindelijk kennen we de orde van de tijd
in drieën: de twee vormen van
lineaire tijd en de cyclische tijd. De drie
stroken met de drie vormen van ruimte en dus
ook met de drie vormen van de ruimte-energie
waar we met de ethertechnologie mee bezig
zijn en die we in hoofdstuk twee eveneens
hebben uitgeduid. Nulpuntsenergie staat zo
voor de 'forward' time, vacuüm-energie
staat voor de 'reverse' time en de radiant
energy staat voor het fenomeen van de
cyclische tijd. De uitdijing strookt met
de kosmische nulpuntsenergetische tijdruimte,
de aantrekking met de universele
vacuümruimte van een sterrenstelsel en
de cyclische tijd is de tijd beschreven door
de lokale gekromde ruimte van om elkaar
heendraaiende, elektromagnetische,
radiant-actieve hemellichamen. De
cyclische tijd is de tijd van de materie dus
en zo zijn we dan, wetenschappelijk bezien,
materieel gebonden aan de tijd beschreven
door de zon, de maan en de sterrenhemel. Dat
samenstel van natuurlijke ritmen vormt dus de
'meesterklok' die door alle mensenklokken
slaafs gevolgd dient te worden zoals men in
de achtiende eeuw in Frankrijk ook sprak van
meester- en slaafklokken op een lokaal ofwel
plaatsafhankelijk niveau van tijdmeten. Volgt
de klok niet slaafs de natuur, dan zijn de
mensen zelf de slaven van het
cultuurneurotische, standaardtijd-politieke
ego tot ze hun lesje geleerd hebben. Je kan
immers pas vrij met de orde van de tijd zijn
als je die orde eenduidig voor je ziet,
anders kan je niet kiezen overeen te stemmen
of niet. Niet het ontkennen of weerstreven
met tijdzones en gemiddelden van de
natuurlijke orde is de vrijheid, maar het
individeel naar omstandigheid improviseren
erop. In een systeem van ontkenning is er
slechts de onbewuste dwangmatigheid van in
orde willen zijn met een systeem dat
feitelijk zelf niet overeenstemt; dat voelt
nooit lekker, en dat geeft psychische
problemen. Om die problemen op te lossen
moeten we terugkeren naar de natuurlijke orde
van de tijd. Het is individueel - maar niet
collectief - eenvoudig te doen
met
een klok
en een
kalender die met de zon en de maan
meelopen,
maar het gaat hier nu om meer, het gaat om de
totale wetenschappelijke manier van doen, het
denkmodel, het paradigma van omgaan met de
fundamentele natuurkrachten van de tijd, de
materie en de ruimte. Het energieconcept van
onze culturele, gemanipuleerde tijd is te
destructief geworden, verkeert teveel in
strijd met de natuurlijke werkelijkheid. En
daarom zijn we op zoek naar de juiste methode
om dat probleem en ook het psychische
probleem dat erbij hoort op te lossen. Met
het relativisme zijn we vastgelopen met
kerncentrales die niet duurzaam functioneren
en duurzame methoden die niet efficiënt
genoeg zijn. Uranium raakt uitgeput, de zon
schijnt niet overal en altijd even fel e.d.
De speurtocht naar een werkbare
wetenschapelijke formule op basis waarvan we
naar behoefte vrije energie kunnen genereren
uit de ruimte, de meest ideale vorm van
duurzame energie, komt dan ook neer op de
speurtocht naar de operationele definitie van
wat je tijdenergie zou kunnen noemen, de
energie die het resultaat is van de werking
van de verschillende krachten - het
expanderen, contraheren en roteren - van de
tijd in samenhang met het krachtveld van de
ruimte, de ether. Een ethermachine is
feitelijk een tijdmachine die zo
efficiënt als mogelijk werkt op basis
van de neiging van de natuur tot rotatie. We
zijn op zoek naar een nog niet ontdekte
natuurwet van de tijdenergie. Die wet
formuleert het verband van de parameters van
de rotatie die een intrinsiek gegeven van de
materiële natuur vormt en die steeds
voor ons klaarstaat. We hoeven die rotatie
alleen maar op de juiste manier, op deze
wetmatige manier, aan te spreken of te
ontketenen met onze ethermachine. We doen dus
met zo'n machine niet een rotor draaien, we
staan die rotatie waaruit we elektriciteit
willen genereren meer gewoon toe of geven die
de juiste kans. Die rotatie van de
tijdenergie is eigen aan de ether-eenheid die
de niet-materieel manifeste basis vormt van
alle materiële manifestatie. De
ether-eenheid evolueert met de cyclische tijd
opgesplitst in moleculaire, elektromagnetisch
samenklevende dipolen van kernen en
elektronenwolken die allen spin ofwel
draaiing hebben. Zo hebben de ethermachines
dan iets weg van klokken: ze moeten allen de
verhoudingen van de ruimte-energie timen om
zo de drift, de dynamiek ervan te vangen en
om te zetten. Aangezien we de evolutionair in
de natuur opgesplitste gravitonen kunnen
aanduiden met de term elektromagnetische
materie kan men in principe zo bezien dus met
een machine uit de vrij vanuit het
vacuüm beschikbare gravitonen als de
grondstof in combinatie met de lineaire
energie van het neutron alle vormen van
energie en materie scheppen. De replicator
van Startrek werkt op vacuümenergie. In
de koude fusie experimenten zien we al een
soort van alchemie, of transmutatie van
elementen, ontstaan met het onverwacht in het
vat ontstaan van atomaire deeltjes die er
voorheen niet waren.
Samenvattend is er
een hiërarchie van deeltjes: a -
het tijddeeltje van pure energie, b -
het graviton dat een dubbelspin 'onzeker'
energie deeltje is van een dubbele,
voorwaartse en omgekeerde tijd, en ten slotte
c - dan de zich manifesterende
drievoudigheid van die energie in de
wervelingen van de normale deeltjes die
atomen vormen, atomen die dan niet meer
virtueel zijn maar zichtbaar, atomen die
gemanifesteerd een bepaalde verhouding zijn
aangegaan die we kunnen terugvinden in het
periodiek
systeem der
elementen.
En zo komt de energiekwestie dan neer op een
zekere ordening van de tijd zoals een
Pythagoras-boom
groeit: als een zich steeds verder
opsplitsende
fractal,
of als de graancirckel naar links en rechts
bovenaan
de pagina.
Laten we deze
fundamentele gedachtengang voor het nieuwe
paradigma nog een keer doorlopen: in het
begin van de schepping is er eerst het niets,
'het slapen van God' zeg maar, dan is er
'wakker' de lineaire tijd van de uitdijende
tijdruimte: de donkere energie, de pure
tijdenergie die enkel maar lineair de
uitbreiding is. Dan ontstaat uit die lineaire
tijd, door een verstoord evenwicht, door een
gebroken
symmetrie,
een tegenkracht, de cyclische tijd, als een
opsplitsing t.o.v. die oerether. Zo ontstaat
dan vanuit de tijdruimte de driedimensionale
ruimte die vol is met gravitonen of
wervelingen van de cyclische tijd, pure
tijdwervelingen dus van de oerether. Deze
laatste fase van lichtmanifestatie is wat in
de tijdlijn wordt weergegeven van het
kosmisch bestel zoals de huidige wetenschap
die zich die voorstelt. Daarin is er
manifestatie vanaf het begin en is de donkere
energie er pas later. Maar in een
hiërarchische visie zoals hier
gepresenteerd gaan er fasen aan vooraf en
gaat de donkere energie vooraf aan de
manifestatie. Deze gaat van E=T.e2
naar E=T.d2: de tijd die
expandeert (e2) wordt eerst
driedimensionaal (d2). Dan pas
materialiseert vervolgens de materie zich als
een verdere opsplitsing van de gravitonen in
de universele (secundaire) ruimte: ze vormen
dan de lokale ethersferen van de gekromde
(tertiaire) ruimte.
De
tijdlijn van het kosmisch bestel vanaf de
Big
Bang
volgens het oude model
Dit is in
overeenstemming met de natuurkundige bewering
"it appears possible to regard curved
spacetime as consisting of a condensate of
gravitons" die we vonden in
de wikipedia onder het lemma quantum
gravity.
De initiële uitdijing strookt met de
inflatietheorie
van Gurth uit
1981.
Van E=T.d2 zijn we met de
manifestatie van de materie dan aangeland bij
E=M.C2: de tijdenergie E is de
materie M die gebonden is aan de
lichtsnelheid (C2) die dan lokaal
bepaald is, die dan afhankelijk is van de
afstand tot de singulariteit waar ze naar
terug wil keren om haar oorspronkelijke
energetische evenwicht te vinden.
Zoals
we al eerder
zagen
is de constante lichtsnelheid in het nieuwe
paradigma een relatieve constante en niet een
absolute constante. Het is namelijk de factor
tijd die de constante van verandering vormt
in de drie basisvergelijkingen om de
verschillende energievelden van de relatieve
ether te omschrijven. De drie vormen van
ether, die van de expansie (e2), die van de
dimensionaliteit (d2) en die van de
lichtsnelheid in relatie tot de manifeste
materie (C2) , zijn er dan als de
respectievelijk neutrale, positieve en
negatieve deeltjes waaruit onze normale
materie is opgebouwd. De uitbreiding blijft
dus constant bestaan en zo groeit
dan alle materie en ruimte
constant,
ook al blijft de verhouding hetzelfde. De
afstand tussen de aarde en de maan die ieder
jaar met enkele centimeters toeneemt zou als
maat voor die groei kunnen dienen. Er worden
steeds neutronen gevormd uit de toename van
de oerether die zich met de vrije gravitonen
van de ruimte tot materie vormen. Die nieuwe
materie vormt atomair een kloon van alle
bestaande vormen van materie die dan relatief
dezelfde vorm houdt. Op de planeten kan men
de tekenen ervan zien in de vorm van scheuren
in het oppervlak. Ook op de maan kan men
dergelijke striae of scheuren zien. Deze
visie biedt eveneens een alternatieve
verklaring voor de drift
der continenten op aarde die zich makkelijk
tot een sluitende
bol
laten samenvoegen zoals
de striptekenaar Neal Adams dat op
zijn
website
toont.
De theorie stamt van de australische geoloog
Samuel
Warren Carey
(1911-2002) die in vergetelheid is geraakt
met de nu heersende theorie van de
continentale subductie, het uitrekken en over
elkaar heenschuiven van de continentale
platen onder invloed van convectiestromen in
de aarde. Die theorie kon de toename van het
water niet verklaren. Maar, als het hele
universum zich steeds verder uitbreidt meer
dan hij samentrekt, hetgeen een bewezen en
aanvaarde zaak is binnen de heersende
natuurkunde, waarom zou dan niet een planeet
uitdijen? Het is gewoon logisch. Met de
uitdijing van alle materie voor ogen zien we
de meren en rivieren uitgroeien tot oceanen
en de landmassa's uiteendrijven als een te
krappe korst rondom een japans nootje. In
magnetisch opzicht vormt de hele schepping
met die constante uitbreiding zo een
gigantische monopool die de basis vormt voor
de winning van de vacuüm- of
etherenergie. Er is steeds vrije energie
omdat er steeds de beweging van de uitdijende
manifestatie is die wil terugkeren naar zijn
oerbron, naar zijn singulariteit. Het is met
de interactie van de drie basisvormen van de
ether in de vorm van de elementaire deeltjes
een dynamisch krachtenspel van uitdijing en
samentrekking, een soort van constante
integriteitsspanning van alle materie in de
lokale ether die op weg naar haar oorsprong
dan onder invloed van die constante druk in
een cyclische beweging verkeert in de vrije
ruimte. Die lokale ether vormt daarbij een
soort van vierde, holistisch materiedeeltje
dat de integriteit van de verhoudingen van de
uit protonen, neutronen en elektronen
opgebouwde materie en de ruimte behoudt: dat
deeltje dopen we dan hierbij met de benaming
van het integron. Voorafgaand aan de
manifestatie bestaat de ruimte uit gravitonen
en universele etherdeeltjes, de virtuele
plus- en mindeeltjes die Tom Bearden de
fotonen en antifotonen noemt. De gravitonen
splitsen zich bij de manifestatie van de
materie in protonen en elektronen en het
universele etherdeeltje, de tegenhanger van
het graviton, splitst zich dan in een lokaal
etherdeeltje of een naar integriteit strevend
integron en een neutron dat de lokale
representatie van de uitdijende oerether
vormt. Zo vormen de vier elementaire deeltjes
samen met de relatieve, dynamische ether dan
een parallel voor de vier basiskrachten die
de natuurkunde kent: de
zwaartekracht
(het graviton), de
elektromagnetische
kracht
(de elektronen en protonen), de
sterke
kernkracht
die alles bij elkaar houdt (het integron) en
de zwakke
kernkracht (het
neutron dat steeds tot verstrooiing en verval
leidt op den duur). In één adem
gezegd: eerst is er de tijd, dan de werveling
ervan en dan de opsplitsing ervan in de drie
basisdeeltjes van de materie plus een
holistisch integriteits-effect dat ook wel
als het lokale etherdeeltje of integron te
beschrijven is. De etherdeeltjes zijn steeds
deel en geheel, zijn 'part and
parcel', of holondeeltjes
- naar het holon zoals het hongaarse
multitalent Arhur
Koestler
(1905-1983)
en meer recent de holist Ken
Wilber
het als een filosofisch begrip verdedigden.
Het in onze theorie drievoudige holondeeltje
van de ether (drievoudig op de drie niveau's
van manifestatie van de ether) staat model
voor de individualiteit van alle organismen,
of voor de integriteit van de materieel
manifeste personen die we zelf zijn. Waar
Wilber spreekt van vier kwadranten in dit
opzicht die staan voor de dimensies van het
individuele versus het collectieve en het
interne versus het externe, onderscheiden wij
hier de zaak meer in termen van de kwantiteit
en kwaliteit (resp. het individueel/sociale
tegenover het concreet/abstracte) in
de
velden van
handelen
die de integriteit van een persoon in
samenhang met de orde van de tijd en de
krachten van de ether moeten garanderen. Per
slot van rekening gaat het in de beschrijving
van de manifeste wereld om het opheffen van
de illusie die een verschil tussen de binnen-
en de buitenkant vormt. Het gaat om de orde
van het leven, om de orde van de tijd die
feitelijk de materie vormt, de materie die we
in relatie tot de ruimte kennen als een
etherisch krachtenspel.
De evolutie verloopt
dus, samenvattend, van de potentiële
tijdenergie, via het stadium van de
reële, 'dubbele', gravitatie-energie
naar het eindpunt van de elektromagnetische
uitgesplitste, en holistisch integer
gehouden, manifeste energie van de materie.
Iedere evolutionaire stap toont een nieuwe
vorm van de relatieve ether die in interactie
dus de hele manifestatie vormt: de oerether,
de universele ether en de lokale ether, of
zoals Einstein het zegt: de tijdruimte, de
normale driedimensionale ruimte en de kromme
ruimte rondom hemellichamen. Als we teveel op
de holondeeltjes letten zijn we holisten,
maar als we de tegenhanger van die deeltjes
met de deeltjes van de normale ether bezien
en achting hebben voor de energetische
effecten met de tijd in de veden van handelen
die dat geeft, zijn we filognosten,
mensen die zich ook spiritueel kunnen
verenigen in de liefde voor de kennis. En
deze hiërarchische redenering is dan in
overeenstemming met de conclusie van de vele
klassieke wijzen en geleerden uit het
verleden die net als Descartes steeds
beweerden dat alle materie een omvorming van
de ether is. Zo stelt Vyâsadeva in de
Brahmâ Sûtra (Adh2.
P3: 1-7)
dat de - pradhâna of
ongedifferentieerde - ether het eerste effect
van de schepping is waarna toen de overige
elementen van eerst de lucht (de 'damp'), en
toen het vuur, het water en de aarde van de
lokale orde verschenen (Bhâgavata
Purâna 3.5:
32-36).

Een
tektonische breuklijn op de maan die een
aanduiding vomt voor de constante groei van
planeten en andere
hemellichamen.
Dat wat antimaterie
heet en door de moderne natuurkunde wordt
gepostuleerd als een noodzakelijke
tegenhanger van de materiële
ontwikkeling van de tijdenergie als hiervoor
beschreven, Wilbers binnenkant zeg maar, moet
een overeenkomstige evolutie doorlopen. We
kunnen met onze hiërarchische indeling
dan niet werkelijk spreken van een
anti-universum. Het materiële is tot
dezelfde oerbron terug te voeren als de
antimaterie. Beiden streven naar eenheid en
vormen slechts een primaire dualiteit in het
universum, een dualiteit die we reeds in de
oudste geschriften van de wereld als een
noodzakelijkheid aantreffen. God, als de
integriteit van het grote geheel, als een
persoon, zou er vanaf het begin van de
schepping zijn volgens de antieke
opvattingen. Die God kan je dan niet zien en
is tijdloos. Het spirituele met God vormt de
tijdloze tegenhanger van de materie die
echter ook van God komt. De materie vormt het
zichtbare lichaam van de God die stelt dat je
niet je lichaam bent, de materie is de
gigantische gedaante van de virâtha
rûpa, zo stelt the
Bhâgavata Purâna in
2.1.
Die God vormt het zelfbewustzijn als
de tegenhanger van de tijdruimte. En dat
zelfbewustzijn laat zich pas in tweede
instantie kennen als een dualiteit van een
ego in relatie tot de eeuwige
gelukzaligheid en liefde van God. Het
ego, of ik-besef dat
niet-geïdentificeerd met de materie ook
wel de individuele ziel heet, kent men in
derde instantie, d.w.z. nog weer een niveau
van manifestatie verder, met de twee
elementen van de geest en de
intelligentie via het proces van
vereenzelviging, een proces dat men soms het
vervalsen van het ego noemt
(ahamkâra). De tegenhanger
daarvan wordt gevormd door de dualiteit van
man en vrouw, de god en de
godin, die in de zaligheid hun liefdesleven
hebben. En die liefde moet, voor de ongeziene
God gaand, weer terugkeren naar een
gemeenschappelijk zelfbewustzijn, een
zelfbewustzijn dat geregeerd wordt door de
Superziel van de oorspronkelijke persoon of
integriteit van het universum. De geest wordt
dan in de meditaties de vijand die met de
intelligentie onderworpen en naar binnen
gericht weer via het ware ik-besef naar het
zelfbewustzijn moet worden geleid. En dat
zelfbewustzijn is dan weer terug te voeren is
op de oereenheid van God, de oorspronkelijke
ziel die natuurkundig de singulariteit
heet.
En zo is er dan een
even zo complexe, parallelle, geestelijke of
spirituele werkelijkheid die meer als een
tijdloze verscheidenheid boven of naast de
materie staat als de reflectie erop dan dat
die werkelijkheid tegen de tijd gekeerd zou
zijn. Aldus spreken we van een materiële
wereld en een spirituele wereld, een
fundamentele dualiteit van leefwerelden
waartussen men zich in het leven beweegt. Als
we een theorie van alles willen hebben,
moeten deze werelden in deze
hiërarchisch-structurele visie op de
persoon en de materie, in dit nieuwe
paradigma voor de wereldorde, worden
gecombineerd zodat iedereen er een plaats in
heeft, zodat een ieder gerespecteerd kan
worden en conflicten daarmee beëindigd
kunnen worden. Zo spreekt ook b.v. een
celbioloog als Bruce
Lipton
van een nieuw paradigma waarin de wetenschap
en de spiritualiteit convergeert nadat hij
ontdekte dat het celmembraan van een cel in
een organisch lichaam informatie overdraagt
op de celinhoud, m.a.w. dat wijzelf alsmede
onze plaats in het universum onze fysieke
materiële orde bepalen, ook op
celniveau, en dat de genen ons niet zozeer
commanderen maar meer als dienaren voor ons
klaar staan. De eiwitschakelaars die ons
leven beheersen zo vond hij,worden primair
beheerst door prikkels van buiten de cel,
door onszelf, door de omgeving, door het
universum. De beide werelden hebben elkaar
nodig en kunnen niet zonder elkaar bestaan,
precies zoals de ruimte niet zonder de
materie en de tijd kan bestaan en de oude
natuurkunde het ook niet kan stellen zonder
de antimaterie. Het geheel van de
hiërarchische deeltjestheorie laat zich
dan als volgt
weergeven:
Uitgaande
van één ziel of alles
verbindend zelf dat ten grondslag ligt aan de
verstrengelde geestelijk/materiële
kwantum werkelijkheid van wat we ook kennen
als Ervin
Lazlo's
informatiedragende Akashaveld of het
Aeonen-spel, het spel van de complexe
relativiteit van de hiërarchische
'conische matrix' van de psychomaterie van de
ruimtetijd zoals geformuleerd in de
Aeonentheorie van de franse fysicus
Jean
Emile Charon
(1920-1998), komen we met de HDT uit op een
pyramide die de gehele werkelijkheid
beschrijft en daarbij een alternatieve visie
biedt op de ontwikkeling, functie en
betekenis van het bewustzijn en de
evolutietheorie zoals we die anders zijn gaan
bekijken sedert Theilhard
de Chardin
(1888-1955) het had over de evolutie van ook
het bewustzijn (zie ook een lezing van
Gerrit
Teule - 'Wat Darwin niet kon
weten'
- n.a.v. zijn boek
hierover).
Het is in feite een dubbele Tetraktys,
een dubbele 1-2-4-8 versie van het
pythagoreïsche 1-2-3-4 symbool voor de
kosmos. In deze driehoek, die in de HDT voor
zowel het manifeste als het niet-manifeste
staat, toont zich de orde van het geleidelijk
in opeenvolging vanuit de monade evolutionair
ontstaan van de diade, de triade en de
tetrade als de basisverdeling van de
schepping. Respectievelijk staan die vier
traditioneel voor de singulariteit van het
oerbegin van het hebben van o dimensies, de
eenheid; de tweevoudigheid van
één dimensie, van een lijn, van
de polariteit van de wereld; de
drievoudigheid van twee dimensies,
een plat vak, een vergelijking van
polariteiten in het woord; en de
viervoudigheid van het hebben van een
driedimensionale wereld bestaande uit de vier
basiselementen of basiskrachten der
natuur. De esoterische
Pythagoreërs
zworen
op dit symbool van de eeuwige vernieuwing
zelfs een eed:
Ik
zweer bij Hem
die in onze zielen
de heilige Tetraktys heeft geplant,
de bron van de Natuur wier oorzaak
Eeuwig is.
(Ou
ma ton hameterai geneai paradonta
Tetraktun, Pagan aenaou Phuseôs
Rhizôma t'
ekhousan).
Voor
het nieuwe energieparadigma dat we modern
begrijpen als een theorie
van de
kwantum-zwaartekracht,
hebben we het etherbegrip dus absoluut nodig,
d.w.z. het etherbegrip van de Einstein van na
1920 dus die de ether als zijnde relatief
verdedigde, omdat het begrip van de ether
simpelweg in één enkele term de
verzameling van de natuurkrachten en velden -
of 'tijdruimte-deuken' beschrijft zoals we
die hiervoor beschreven hebben bij het
bespreken van de natuurlijke oerbronnen van
de energie die verder niet tot een andere
bron te herleiden zijn. De verzamelterm voor
de natuurlijke energiebronnen waar we uit
putten met een directe omzetting i.p.v. een
indirecte transformatie van de energie die
vrij voorhanden is in de natuur, zo stellen
we hier dus voor, is de ether, de ether die
we samen met Einstein dan definiëren als
de ruimte met materiële eigenschappen of
als een krachtveld en niet zozeer als een
uniforme alomtegenwoordige substantie. Met de
nieuwe machines kunnen we zo dan spreken van
ethermachines. Deze machines, zoals in
het vorige hoofdstuk besproken, betrekken
zich op één van deze drie
basis-ethervormen, dan wel op een combinatie
of interactie van de fundamentele
natuurkrachten met dezen - het duidelijk
stellen van deze zaak vereist nadere
precisering en onderzoek.
De nieuwe manier van
denken moet uiteindelijk de verschillende
effecten die door de uitvinders werden
gevonden verklaren. Er moet een antwoord
gevonden worden op de vraag hoe we, naast wat
we zagen in de afdeling onverklaarde
fenomenen (UFO's, Graancirckels en Aliens),
in één samenhangende visie de
bevindingen kunnen verklaren van de besproken
experimentele effecten.
i)
Het Stubblefield-effect van
elektriciteit opgewekt uit het magnetisme
van de aarde.
ii)
Het Keely-effect van energetische
processen en antigravitatie uit het
beheersen van
geluidsfrequenties.
iii)
Het Reich-effect van orgone energie
uit kristalconfiguraties met buizen en
temperatuurverschillen tussen organische
en anorganische stof.
iv)
Het radiant Tesla/Moray-effect van
de energie van zich elektrisch uit de
natuur opladende platen of staven die
eventueel bestaan uit verschillende
metalen of legeringen.
v)
Het Papp-effect van zich met een
impuls ontladende edelgassen in een
drukkamer.
vi)
Het Gary/Finsrud-effect van
continue beweging door het tegen elkaar
uitspelen van de magnetische kracht en de
zwaartekracht.
vii)
Het
Gray/Johnson/DePalma/Tewari/Bedini/Bearden-effect
van een magnetisch overunity-moment
met een terugwaartse energiepiek die volgt
op onderbroken (elektro-)magnetische
velden in motoren werkend op basis van
(elektro-) magneten.
viii)
Het elektrostatisch Baumann-effect
van overunity statische
elektriciteit opgewekt via een
Whimshurst-achtige opzet gecombineerd met
een opslag-eenheid.
ix)
Het koude fusie plasmaproces, dan wel het
met stalen elektroden elektrolytisch
realiseren van een
Meyer/Williams/Kanarev-effect van
met overunity gewonnen HHO-gas of
Browngas uit zuiver water zonder
elektrolyten, met inbegrip van de
eigenschappen van ontbrandbaar, geladen
water of waterdamp.
x)
Het Schauberger/Frenette/Griggs
vortex-effect van energie gewonnen uit
wervelingen van water, lucht of
olie.
xi)
Het Huchison-effect van
antigravitatie met elektromagnetische
vibraties en energie uit samengeperste
kristallen.
xii)
Het Searl/Sweet-effect van
energieopwekking en antigravitatie door
trillende magneetvelden dan wel roterende,
diallel gearrangeerde en elektrisch
beheerste magneetvelden.
Overeenkomstig
de theorie kan er ten eerste een primair
effect zijn als gevolg van de
geestesinstelling van de onderzoeker. Het
komt nogal eens voor dat de effecten moeilijk
te repliceren zijn of instabiel zijn, zelfs
in handen van de uitvinder zelf. Er is een
constante overtuiging en een goede
experimentele discipline voor nodig om alles
te kunnen overzien en beheersen in het
wetenschappelijk grensgebied dat door dit
veld van onderzoek wordt gevormd. De invloed
van de factor tijd en regelmaat moet niet
worden onderschat omdat deze moeilijk, ook
natuurkundg, kan worden losgezien van de
elektromagnetische sfeer waar de onderzoeker
zelf met zijn lichaam en conditioneringen
deel van uitmaakt. De effecten van Johnson,
Huchison, Sweet, Keely en ook dePalma naar
het schijnt vormen een voorbeeld van
problemen hebben in deze categorie. Het
effect van de instelling waarmee men
onderzoek doet strookt met een bevinding van
de kwantumtheorie waarin de invloed van de
experimentator niet kon worden uitgesloten.
In het z.g.
dubbele-spleetexperiment
(zie afbeeling rechts, video)
gedragen elektronen, fotonen en zelfs sommige
moleculen zich als golven met een
interferentiepatroon alsof ze deel uitmaken
van de ether, als ze door twee spleten worden
gestuurd. Maar toen men ging observeren met
metingen wat er precies gebeurde, gedroegen
zich opeens als deeltjes zonder dat
interferentiepatroon. De meting bepaalde dus
de uitslag van het experiment, de ether
bewees zich niet als men die probeerde te
meten.
Dit geeft te denken voor het werken met onze
ethermachines. Met de nieuwe benadering is
dus, zoals Tewari dat ook bespreekt, een
zekere geesteshouding in samenhang met een
zekere tijdorde en discipline van ruimtelijke
en materiële zelfbeheersing onmisbaar.
Als er geestelijk, intellectueel ook, geen
orde wordt gehouden of een zekere logica of
rede wordt gevolgd, zal ook de
hiërarchische logica aan de
materiële kant zijn ondergraven en de
intelligentie op dat punt ook niet goed
functioneren. Omdat de onderzoeker, en later
ook de gebruiker, deel uitmaakt van de
toepassing moet hij zijn methodologie van
onderzoek, onderwijs en gebruik aanpassen.
Het is een probleem dat ook tot het
gedragswetenschapelijk onderzoek van de
psychologie behoort. We mogen op dit punt
aangeland zeggen dat wij met onze lichamen
zelf ethermachines zijn die interacteren met
soortgelijke mechanische constructies. Het
uitvinden van een zelflopende ethermachine
staat min of meer gelijk aan het ontwikkelen
van zelfkennis en zelfverwerkelijking in een
emancipatieproces. Men ontwikkelt een
systematiek met de ether die pas reëel
is als men zich ernaar gedraagt, met een
mechanische toepassing erbij of niet. We
denken hierbij aan de manier waarop het
Baumann-effect (viii) in de wereld
bestaat. Sommig energiegebruik vereist
kennelijk een zekere geestelijke discipline
en saamhorigheid met de ether en zo kan het
heel goed zo zijn dat we aan onze vier
argumenten voor het niet zonder meer
doordringen van deze technologie tot het
grote publiek ook dit argument moeten
toevoegen als een aanhangsel bij met name
argument 1: de discipline met de tijd en de
ether van onze gemeenschap voldoet misschien
niet aan de voorwaarden waaronder we deze
technologie kunnen toepassen. Het is
misschien geen toeval dat ondergetekende zelf
er
een alternatief
tijdbewustzijn
op nahoudt en zo in staat is (tot op zekere
hoogte) orde in deze zaak te brengen. Het
klinkt niet onlogisch dat het doordringen van
deze nieuwe technologie in de wetenschap ook
afhankelijk is van de discipline van de
wetenschapper zelf. Zolang die discipline
niet verbetert zal het resultaat van de
arbeid en het lot van de wereld dat ermee
samenhangt ook niet verbeteren. De wereld is
er pas beter aan toe als we ons beter
gedragen ermee. Vanzelf. Het lijkt erop dat
het is zoals prof. Kanarev het stelt: als we
tijd, ruimte en materie niet als een heilige
drie-eenheid van de natuurkunde behandelen,
dan vervallen we, ook wetenschappelijk, in de
incoherentie en de chaos van geïsoleerde
verschijnselen die paradigmatisch niet te
overzien zijn en die zo de zaak dan meer doen
lijken op een individuele vaardigheid dan op
een vorm van techniek of wetenschap die
onafhankelijk van personen functioneert.
Zonder verenigd te zijn in een goede tijdorde
en beheersing van de krachten van de
relatieve ether (zoals
een yogi dat
kan)
geeft men het mogelijkerwijze te snel op zich
op dit gebied te ontwikkelen, is men
makkelijk het slachtoffer van een zekere
psychische problematiek die voortkomt uit de
spanning
tussen de natuurlijke tijdconditioneringen en
de cultuurgebonden
tijdconditioneringen,
en bouwen we niets op en verliezen we zelfs
de synergie om samen te leven omdat de
energie of aandacht naar 'elders' gaat. En
daardoor vervallen we dan in ongeloof en
scepticisme en zijn we weer terug bij
argument nummer één van de
vier
hindernissen.
Als we aan de spirituele kant van de
tijdverschijnselen van de relatieve ether
rekening moeten houden met verschillende
niveaus en methoden van onszelf beheersen met
de krachten van de ether, zijn er dan er aan
de materiële kant vanzelf ook
verschillende soorten van ethermachines of
andere omvormingen van de primaire energie
die afhankelijk zijn van en geschikt zijn
voor verschillende personen en
gemeenschappen. Een heilige kan soms uit
zichzelf leviteren - iets waar de Paus een
hekel aan heeft overigens - terwijl een
gewone burger allicht een speciaal
vliegbewijs moet behalen om een
antizwaartekrachtvoertuig te mogen en kunnen
besturen. Laten we een poging wagen in de
richting van de beschrijving van de mogelijke
vormen van begrijpen en beheersen en zo de
verklarende capaciteit van onze
hiërarchische deeltjestheorie (HDT)
beproeven. We recapituleren daarin
deels het voorafgaande en zijn dan
speculatief en abstract in het trachten te
ordenen en verklaren van de effecten van de
ethermachines en het toekennen van
eigenschappen aan de verschillende krachten
en deeltjes der materie die een rol spelen in
de processen. Het nu volgende is dus een
voorlopige beschrijving, een eerste
inschatting of algemene basisschets van de
orde der natuur waar we mee te maken hebben.
We willen hier niet direct de hele
kwantumfysica bespreken met al haar fijne
onderverdelingen. Dat is aan de theoretische
natuurkunde.
Het
begrip ether is, zoals we het in eerste
instantie normaal kennen met de
radiotransmissie, van toepassing op de
verschillende krachtvelden zoals we die om
planeten en sterren aantreffen. Dit eerste
etherbegrip is afgeleid van wat Einstein de
kromme ruimte noemde, de 'deuken' in de
tijdruimte, en hiermee spreken we dus van de
lokale ether. Volgens de HDT is de kromme
ruimte van de lokale ether niets anders dan
het restproduct van het materialisatieproces
waarin gravitonen polariseren. De lokale
ether (het integron) vormt de integriteit van
atomen die bestaan uit protonen, elektronen
en neutronen. Het integron vormt als het ware
de oppervlaktespanning van de materiële
wereld. Het neutron is het
anti-integriteitsdeeltje dat als tegenhanger
van het lokale etherdeeltje of integron de
protonen en neutronen gescheiden houdt in de
kern van het atoom. Het neutron wil van de
cyclische tijd van een lokaal materieel
deeltje een lineair tijddeeltje maken. Het
neutron zou je ook een anti-integron kunnen
noemen. Het neutron is als het ware een klein
stukje van de holistisch doorgedrongen
lineair expanderende tijdruimte die in
India pradhâna wordt genoemd. De
polariteit van het atoom verhindert dat het
neutron en het integron van de lokale ether
elkaar opheffen en opgaan in de universele
ruimte. De zwaartekracht om een planeet heen
is het resultaat van de som van de kracht van
het integron - een relatieve maat die
afhankelijk is van het univerum, en de paats
daarin, waar men zich in bevindt - en die
kracht leidt tot een verdichting van de, door
de neutronen aangetrokken, gravitonen, de
individuele etherdeeltjes die rondom de
materie dringen die min of meer ermee onder
druk staat. Zwaartekracht is in feite
nulpuntsmagnetisme, de unipolariteit van het
vacuüm, een universele monopool die
bestaat bij de gratie van het feit dat er
meer uitbreiding dan inkrimping is in het
universum, en elektriciteit is niets anders
dan gepolariseerde zwaartekracht. De
ethermachine zet zwaartekracht om in
elektriciteit door het lineaire integron van
de zwaartekracht cyclisch te maken. Men maakt
met zo'n machine dus van de gravitonendruk
van het integron bruikbare energie, men geeft
a.h.w. gewoon een draai aan die rechtlijnige
ruimte-energie. Met het magnetisch
polariseren van het graviton zien we dan
elektrische verschijnselen en omgekeerd. Dit
is de HDT-visie op de relatie tussen
zwaartekracht, magnetisme en
elektriciteit waar we in het hiervolgende
mee zullen werken moeten. Bij de polarisatie
van het graviton vinden we in deze optiek ook
logisch gesproken steeds een bipolair
magnetisch veld, de unipool van de ruimte,
die zich als het integron van de
zwaartekracht manifesteerde, werd immers
gesplitst. Zo krijgen we een idee van het
krachtenspel waar we mee bezig zijn in deze
research.
De individuele kracht, de intensiteit van het
graviton noemen we even voor het gemak op een
schaal van vijf normaal. De indeling bestaat
uit oneindig, hyper, super, normaal en nul.
De kracht van de universele monopool noemen
we hyper en die van de oorspronkelijke
tijdruimte oneindig. De kracht van het proton
en het elektron noemen we super, de
hyperkracht van de universele ruimte en de
normale kracht van het etherdeeltje middelen
bij polarisatie van het graviton tot twee
tegengesteld draaiende superkrachten die door
het neutron, dat als deeltje geen effectieve
kracht heeft worden gescheiden gehouden. De
enige kracht van het neutron bestaat uit zijn
vermogen anti-integer of dissipatief te zijn
als de lokale representant van de tijdruimte,
het heeft in relatie tot de twee andere
materiële deeltjes geen lading of
intensiteit. Het is een antiholon deeltje dat
alleen bestaat in relatie tot het integron
dat een tegengestelde tijdrichting of massa
heeft en net als zijn tegenhanger geen
(cyclische) kracht levert of intensiteit
heeft en ook geen spin of lading heeft. Het
cyclische noemen we een kracht omdat het
cyclische altijd is gekoppeld aan
manifestatie, terwijl dat bij de evolutionair
oudere tijdruimte en de etherische
tegenhanger daarvan van de universele ether
niet zonder meer zo is. Er kan dus massa zijn
- tijdrichting - zonder manifestatie:
donkere
energie.
Het lineaire vormt geen direct bruikbare
kracht, de naar binnen en naar buiten
gerichte lineaire ruimte zijn min of meer de
vader en de moeder van alle krachten. Kracht
en dus ook intensiteit manifesteert zich als
een vorm van weerstand tegen die ouders, als
een bepaalde relatie van het gemanifesteerde
in verhouding tot die fundamentele lineaire
dualiteit. Het gemanifesteerde dat zelf
altijd cyclisch van aard is, speelt er als
het ware een spel mee op het raakvlak der
existentie, het membraan van het hier en nu
dat we de werkelijkheid noemen. Een
ruimtedeeltje dat lading krijgt zoals met een
magneet veld het geval is is dus geen
integron maar een graviton dat van zichzelf
een chaotische lading en spin heeft en een
normale intensiteit. Graviton en integron
verhouden zich verticaal. Je moet niet
horizontaal maar verticaal denken om dit te
begrijpen. Ze kunnen tot elkaar leiden zoals
in de chemie elementen samengaan of te
scheiden zijn, alleen is men dan met een
hiërarchisch evolutionair
materialisatie/dematerialisatieproces bezig.
Als je neutronen in een cycloton rondjaagt of
met een wapen inzet, krijg je daar dan altijd
andere 'chaos-deeltjes' voor terug die een
mathematische relatie vertonen van de
krachten die men heeft ingezet. Men heeft
niet echt ooit een apart neutron, maar meer
het effect van de vernietiging ermee of
ervan. Evenzo kan men het graviton niet als
een zelfstandig deeltje aantonen in een
deeltjesversneller omdat het met het verlenen
van massa en richting via de snelheid gewoon
geen graviton meer kan zijn. De machine
vernietigt de definitie van zo'n massaloos,
chaotisch ruimtedeeltje. We zullen hier
verder de beschrijving van de
fijne
deeltjesfysica van bosonen en
fermionen
buiten beschouwing laten. Het gaat allereerst
om een algemene schets van de logica van de
primaire verhoudingen van de natuurkrachten
in de vorm van deeltjes, niet om
experimenteel gevonden, min of meer zelf
geschapen, uitzonderingen op of verfijningen
van die logica.
De
druk die de gravitonen uitoefenen in de vorm
van het integron is er de reden van dat de
ether relatief is en niet homogeen. Het
verschil tussen het integron en het graviton
bestaat eruit dat het integron een lineare
functie heeft terwijl het graviton cyclisch
is. Het lineaire integron is de lokale
vertegenwoordiger van de cyclische universele
ether waarvan het graviton het individuele
deeltje is dat ronddraait (spin heeft) en een
dubbele polariteit vormt in de vorm van het
afwisselend positief en negatief 'schuimen',
'bubbelen' of 'koken' van de ruimte als
zijnde een ongerichte of 'onzekere'
(tijd)energie. Het integron, net als het
neutron, is massa zonder manifestatie, zij
het dat het neutron een massa heeft die we
met één plus een nihiele
fractie zwaar noemen, terwijl het integron
slechts een nihiel zware fractie vormt die
bestaat dankzij de manifestatie. Het nihiele
is het verschil dat voortkwam uit de gebroken
symmetrie van de singulariteit waar alles uit
voortkwam sedert het 'ontwaken van de
schepping' (waarom een knal?); het nihile
vormt het verschil tussen alles (1) en niets
(0). Het nihiele is de overunity van
het universum waar we op uit zijn met de
ethermachines. Het is nulpuntsenergie die
niet direct toegankelijk of bruikbaar is
zonder dat er een 'draai' aan gegeven wordt.
Maar zeggen dat die energie er niet zou zijn
is hetzelfde als zeggen dat de zwaartekracht
niet bestaat. De zwaartekracht is de normale
manifestatie van de nulpuntsenergie op lokaal
niveau. Daarom hoort het zwaartekrachtwiel en
de machines van Gary en Finsrud (vi)
die de zwaartekracht verbijsteren met de
magnetische kracht, ook bij de ethermachines.
Het woord zwaartekracht is in feite een
foute benaming. Het vormt een paradox
taalkundig: de zwaartekracht is een kracht
die niet zomaar een effectieve, inzetbare
krachtbron vormt en is zo ook weer niet een
kracht. Het is een kracht die niet werkelijk
een kracht is, maar slechts de ruimtedruk of
'zwaarte'kracht vormt. De kracht van de
zwaarte van iets is de manifestatie van de
onevenwichtigheid van het universum. Een
stuwdam maakt elektriciteit van de
waterkracht, niet van de zwaartekracht. De
waterkracht komt in feite van de kracht van
de zon die het water verdampte dat
neergeslagen door afkoeling via een hoger
gelegen gebied naar lager stromend weer vrij
komt als we die stroom tegenhouden met een
dam. In feite meet men als men massa meet
niet de kracht van de zwaarte van een
voorwerp, maar de naar binnen gerichte,
negentropische tijdrichting van een materieel
voorwerp die afhankelijk is van de afstand
tot de planeet of datgene wat zwaartekracht
genereert. Even wat verder in de ruimte en
weg is die kracht. Dat wat er dan weer wel is
en dan weer niet is, noemen we een illusie,
een krachtsillusie in dit geval. Wat
werkelijk is is het integron, de
oppervlaktespanning van de manifestatie. Het
integron vormt een lineair op
één punt diallel samentrekkende
tijdenergie, en niet zozeer een kracht die in
alle gevallen een meetbare zwaarte oplevert.
In de ruimte is er geen merkbare
oppervlaktespanning die meer is dan de
samenhang van de materie en dan is er dus ook
geen zwaarte. In de ruimte heerst een
evenwicht van ruimtedeeltjes, van gravitonen,
die dan ongericht zijn, geen beduidend
oppervlak van aantrekking kunnen vinden om in
die mate het integron van de overunity
te kunnen manifesteren dat er zoiets als
zwaarte of richting zou zijn. De ethermachine
brengt orde in de chaos van het vrije
ruimtedeeltje dat het graviton is. Finsrud
brengt bewust een mechanische orde aan in de
zwaartekracht door de magneetkracht
allereerst chaotisch op te zetten met zijn
centrale slinger en vervolgens de ruimtedruk
met uitbalancerende slingers lineair daar
orde in te laten brengen. Gary schept
verwarring door de zwaartekracht terug te
leiden naar zijn beginpunt van werking via
een neutrale zone in de magneetkracht en de
onrust van ompolend diamagnetisch materiaal
(vi). Het integron dat bij het proces
van energiewinning uit de ruimte betrokken
is, is een holon deeltje, een lokale werking
van het geheel van de ruimte-energie. Het
heeft dus ook geen beduidend gewicht, een
spin of een lading, het staat slechts voor
een tijdrichting immers: de naar binnen
gerichte lineaire tijd die staat tegenover de
naar buiten gerichte lineaire tijdrichting
van het gelijksoortig neutrondeeltje. Zo
bezien kan je concluderen dat de
ethermachines op volle toeren draaiend
zwaartekracht genereren, een eigen
zwaartekrachtveld wel te verstaan, dat wordt
veroorzaakt door de omringende gravitonen aan
te zuigen en om te zetten in energie. Een
zwaartekrachtgenerator kan meer zwaartekracht
genereren dan een planeet en zo dan
'anti-zwaartekracht' vormen, een
tijdruimteverschil dus dat een enorm
kinetisch effect kan hebben bij het richten
van de zuigrichting via een magnetische
poort. Gravitonen reageren immers op
magnetisme. Dit strookt met waarnemingen van
dit soort effecten bij vliegende schotels:
elektrische velden raken verstoord en
G-krachten gelden niet meer. Met het
aanzuigen van gravitonen door de ethermachine
krijgen ze een lineaire richting die een
eigen zwaartekrachtveld vormt, een veld dat
men kan richten in relatie tot andere
zwaartekrachtvelden en zo wordt sturing van
zo'n voertuig dan mogelijk. De ethermachine
is dus een zwaartekrachtgenerator die iets
doet met de relatie tussen de lineaire en de
cyclische tijd, de relatie tussen de 'ouders'
en de 'kinderen' van de fundamentele
natuurkrachten. Daarom spreekt men ook wel
van trek-duw rotatietechnologie.
Een magnetisch veld
is het resultaat van een gelijkrichten van
deeltjes(groepen) in een magnetiseerbaar (of
diamagnetisch) voorwerp zoals de
ijzerdeeltjes in de aardkern b.v. Magnetische
lijnen vormen stromen van tegen de
polarisatie in ronddraaiende gravitonen.
Sommigen spreken van elektronen en ionen,
maar in essentie is de ruimte het bereik van
de gravitonen, de materieel nog onbepaalde
ruimte. Op
basis van de magneetvelden rondom lichamen,
magneten, planeten etc., werkt de ruimte
aldus kinetisch en niet statisch. Al het
materiële is in beweging bij de genade
van de cyclische definitie van de materie.
Als de ether geen werk zou verrichten zou het
ontwikkelen van de ethermachine geen zin
hebben. De ethermachines die al bestaan
vormen dan ook simpelweg het experimenteel
bewijs dat de ether bestaat. Het bewijs op
basis van de wetenschappelijke observaties
van de uitdijende ruimte (via het
Doppler-effect in de astronomie), de
zwaartekrachtlens
rondom zwarte gaten en sterrenstelsels, en de
ronddraaiende planeten en manen, vormt het
natuurkundig niet-experimenteel of
observationeel bewijs van het dynamisch
krachtveld van de ruimte dat we hier de
relatieve ether noemen. In zijn simpelste
vorm is dat bewijs al geleverd met een
magneet die zonder verdere kleefstof of steun
aan een ijzeren wand als van een koelkast
hangt. Het aan elkaar kleven van de materie
op basis van magnetische velden is in feite
gebaseerd op de singulariteitswet van de
HDT die stelt dat alle materie van nature
naar zijn singulariteit streeft. Een magneet
zal daarom steeds proberen zijn eigen
polariteit op te heffen, een ring te vormen
of met tegengestelde polen aan elkaar te
kleven. Dit staat klassiek dus ook wel bekend
als de natuurlijke neiging tot orde, de
negentropie, de tegenhanger van de
natuurlijke neiging tot chaos die de entropie
wordt genoemd. Iedere kracht heeft een
tegenkracht die hem probeert op te heffen. Zo
staat dan de entropische uitbreiding
tegenover de negentropische aantrekking.
Zo ook heeft
elektrische stroom die volgens een bepaalde
meetmethode in een bepaalde richting loopt,
zowel als een magnetische dipool die, zoals
je kan aantonen met ijzervijlsel, een bepaald
krachtveld geeft, een natuurlijke
reactiekracht te verduren vanuit de ruimte,
de ruimte-energie die we in de vorm van
deeltjes omschrijven als een veld van
gravitonen, een veld dat we ervaren als de
zwaartekracht. Gravitonen vormen de
ruimtedruk die samen op een hemellichaam
inwerkend als een
holon
genaamd het integron, lokaal de materie
lineair opeendrukken. Het graviton zelf is
zoals gezegd chaotisch en cyclisch, maar
massaal aangetrokken door een materieel
voorwerp of een magneet vormen de gravitonen
lijnen of stromen die van plus naar min
lopen, die dan het normale evenwicht van het
integron enigszins verloren doen gaan en
a.h.w. de zwaartekracht ervan hier doen
toenemen en daar doen afnemen. Minder
zwaartekracht is magnetische afstoting, meer
is magnetische aantrekking. Die combinatie
maakt dat het voorwerp niet zwaarder of
lichter wordt door magnetisering, maar als je
met een ethermachine een kunstmatige monopool
vormt door gravitonen in energie om te zetten
is dat volgens de HDT wel het geval.
Verzamelt men nu elektrische lading op basis
van magneetrotatie dan gebeurt er iets met de
zwaartekracht. Een elektrische lading zal bij
een afdoende frequentie van de betreffende
dipool het integron van de zwaartekracht uit
evenwicht of in werveling brengen en zo
veranderen in een gravitonenstroom die wordt
weggestuurd naar de elektrisch tegengestelde
positie van de aarde of in een lichteffect
(bij Searl en Sweet - xii -is dat
aanwezig). De onderdruk van het integron dat
ontstaat zal dan zoals gezegd leiden tot een
verminderde zwaartekracht en zelfs bij een
integronenvacuüm leiden tot
tijdruimtevervormingen. Het voorwerp
verdwijnt dan naar een andere plaats via de
tijdruimte of hyperruimte. Het is b.v. bekend
uit experimenten dat een condensator ietwat
lichter wordt als hij geladen wordt: dat komt
door het z.g. Biefeld-brown-effect.
Een lading ioniseert de ruimte om de lading
heen en verwerft aldus een kracht van
tegengestelde, in de richting van de
polariteit werkende, gravitonen. Deze kracht
is groter dan de ionenwind, een min of meer
door de lucht geleide elektriciteit, kan
verklaren die normaal bij de uitleg van het
effect wordt aangevoerd zo stelt
Andrew
Johnson in zijn
analyse
(zie ook de Eletrokhydrodynamische
EDH-aandrijving).
Gravitonen zijn cyclische tijddeeltjes. Zo
ook komt er als het magneetveld wordt
onderbroken door de magneet te verplaatsen of
de stroom te onderbreken die magnetiseerde,
een reactie tot stand van de kant van de
gravitonen die dan polariseren met een
elektrische impuls in de tegengestelde
richting. De passieve gravitonen lijden aan
een soort wet van de traagheid omdat hun
intensiteit minder is dan die van de geladen
exemplaren die steeds meer op elektronen gaan
lijken. De gravitonen hebben op basis van de
singulariteitswet de onverbiddelijke neiging
steeds het evenwicht te herstellen zodat ze
een positief veld met een negatief veld
weerstreven. Als een positief veld wegvalt,
hou je automatisch het negatieve veld over en
omgekeerd: de vingerafdruk die als hij oplost
energie afgeeft. Deze energie is extra
energie omdat ze vloeit op basis van de
natuurlijke gravitonendruk die uniform in de
vorm van het integron van alle kanten in de
ruimte werkt. Deze extra energie is niet
zonder meer te meten met apparatuur die een
normale elektrische stroom meet. Maar wat je
niet meet bestaat nog wel. Andersom door een
gloeidraad geeft het nog steeds licht. De
negatieve stroom is de overunity van
een iets te ijverig universum dat, naar
verhouding, een minieme hoeveelheid energie
toevoegt ter compensatie van het weggevallen
veld. De ethermachine accumuleert daarom
steeds deze energie in een condensator, een
accu of een vliegwiel of een andere vorm van
oscillatie of rotatie die de mechanische
slang in zijn eigen staart doet bijten en zo
een versterking van de impuls geeft. Het
universum is in dezen niet een trampoline of
een veer die teruggeeft wat je erin stopt,
immers met de constante uitbreiding van de
tijdruimte en de daaraan gekoppelde
universele ruimte is er nogmaals gezegd
steeds een extra druk. Een ethermachine is
a.h.w. gewoon een ventieltje voor de extra
energie in het universum. Zo goed als een
ballon wegvliegt die je leeg laat lopen, gaat
een ethermachine lopen als je een magnetische
poort hebt geschapen waardoor de constante
gravitonendruk een uitlaat kan vinden.
Dit is de verklaring
voor de energiewinning van de bewegingloze
generator van Bearden die werkt op basis van
het snel binnensluizen van de ruimte-energie
door een schakelaar naar een ander circuit
over te halen met het onderbreken van een
elektromagnetisch geschapen veld. De overige
elektromagnetische machines van Gray, Zsabo,
Bedini, Tewari en DePalma, en de SEG van
Searl zijn zo ook te verklaren (vii &
xii), ze zuigen allemaal de
ruimte-energie van de gravitonendruk naar
binnen door een magnetische poort te scheppen
en/of een cyclische beweging van de magneten
te scheppen waarmee een integron-onderdruk
ontstaat die extra gravitonen aanzuigt. In
eerste instantie geeft dat nog geen
anti-zwaartekracht omdat de aanspraak van
energie te gering is. Maar in principe
kan zo'n machine zonder negatieve zekeringen
ijskoud en lichter worden of zelfs gaan
zweven bij overbelasting. Dat laatste zou je
een soort van etherische melt-down, of beter
gezegd een etherische freeze-up kunnen
noemen. Ook kan er zonder schakelaars en
schakelingen vanuit de draaiende kern van de
aarde een wisseling in het magneetveld worden
afgevangen die dan stroom oplevert als men
een spoel in de aarde plaatst. De wisseling
in het magneetveld is een natuurlijk gegeven.
Hiermee wordt het Stubblefield effect
verklaard (i). Van de wisseling van
het magneetveld van de aarde maakt ook de
ringgenerator gebruik van Steven Mark. Die
laat die beweging van het magneetveld met een
poort ronddraaien in zijn dubbele spoel en
daarom reageert die ook anders of helemaal
niet als het ding op de kop wordt gehouden.
Maar ook het Johnson-aspect van dit effect
met permanente magneten zonder een elektrisch
circuit is zo verklaard: de elkaar afstotende
magneten leveren, cyclisch-sequentieel
bewegend, hun eigen moment alsof een slang in
zijn eigen staart bijt. De overunity
ontstaat bij hem uit het mechanisch
wisselende magneetveld dat steeds de poort
opzoekt en zo cyclisch een mechanische
voortgang geeft, zoals een ezel vooruit wordt
gelokt met een wortel terwijl de drijver op
de bok zit. Ook de rotatie van de Perendev
machine moet berusten op dit effect, ook al
was dit niet te verifiëren of
dupliceren. Johnson's oorspronkelijke
patentaanvrage laat wel zoiets zien. De
diallelle organisatie van de gravitonenstroom
zodat er een soort van brandpunt of
krachtpunt ontstaat dat werk verricht met een
stator - bij hem in de vorm van gekromde
magneten -, is daarbij een voorwaarde,
precies zoals dat bij de Torbay-opzet ook
werkt met een gekromd gravitonenveld dat aan
de ene kant meer werk levert dan aan de
andere kant. Lastig te doen, zo blijkt uit de
vele replicatiemislukkingen, maar in theorie
mogelijk mits er een tweede kracht, de
zwaartekracht of de inertiële kracht -
zwaartekracht in een andere richting - bij
betrokken is. Voor kinetische energie hebben
we twee krachten nodig of twee verschillende
werkingen van de tijd zoals expansie en
contractie. Dit principe van energie uit de
interactie van fundamenteel verschillende
krachten zien we bij Finsrud duidelijk terug,
maar hoe dit precies werkt bij Johnson en de
klonen ervan is niet helemaal duidelijk. Men
vermoed met de problemen van replicatie op
dit punt in deze hoek - en Searl hoort daar
ook bij - dan ook een make-believe cultuur.
Er heerst onder de vrije onderzoekers veel
scepticisme over de haalbaarheid van de
magneetmotor. Dit direct met permanente
magneten tot een mechanische puls verleiden
vereist een nauwkeurig afregelen van de
sterkte, afstand, eventuele afscherming en
grootte van de magneten onderling. Alleen met
een perfect evenwicht is de onevenwichtigheid
van het universum te vangen. Ook het
OC
MPMM-project van het Steornforum geeft dit
replicatieprobleem te
zien.
Het valt niet mee het juiste
krachtenevenwicht te vinden om de etheronrust
te pakken te krijgen. Uit zichzelf zoekt de
machine een evenwicht, een magnetisch slot
met het integron, maar als dit wordt
voorkomen door de afstotende velden
mechanisch zo op elkaar te drukken dat ze via
een poort (een 'gate') een uitweg hebben of
via rotatie een integron onderdruk kunnen
scheppen, ontstaat er een beweging als van
een raket die in een cirkel opgevangen
zichzelf versterkt tot de gravitonendruk
maximaal is verwerkt. Met een kleine unit van
de OC MPMM werd al een toerental van 5000
gehaald dat naar verluid wel zeven uur
standhield. De overdruk wordt dan zonder in
een elektronisch circuit te polariseren
direct in een mechanisch effect omgezet. De
snelle magnetische rotatie weet met een
bepaalde frequentie en krachtenevenwicht een
integron-onderdruk te scheppen en gravitonen
aan te zuigen en ze om te zetten in
mechanische energie. Maar helaas kon
degene
die verantwoordelijk
was
voor dit wapenfeit worden herkend als iemand
die wel vaker de draak steekt met de
verwachtingen...
Zo werkt ook de
Papp-motor van Saboris (v) zonder de
polarisatie van een terugwaarse stroom in een
elektronisch circuit of het afvangen van
magnetische overunity in een
mechanische lus puur op basis van de
gravitonendruk: de edelgassen verleiden de
gravitonen via de elektrische ontlading in
een elektromagnetisch veld tot een mechanisch
moment. De gravitonendichtheid explodeert
a.h.w., waarschijnlijk omdat de energie van
de edelgasatomen zodanig toeneemt dat het
neutron zich geroepen voelt hulptroepen aan
te slepen vanuit de tijdruimte. Dat geeft een
reactie van de gravitonendruk die dan naar
verhouding te laag is en het
elektromagnetisch veld komt versterken. De
extra toevoer van die energie vloeit dan bij
hem op conventionele wijze weg via een
normaal motorisch zuigersysteem in
mechanische energie en hitte: het edelgas
laadt en ontlaadt zich en wordt nauwelijks
verbruikt. Het fungeert hoofdzakelijk als een
katalysator voor de ruimte-energie.
Een
ander effect dat mogelijk een rol hierbij
speelt is het z.g. Electrum
Validum
ofwel High
Density Charge Clusters
(HDCC)
bestaande uit groepjes samengetrokken
elektronen die experimenteel kunnen worden
opgewekt door met een zeer korte puls vanaf
een spits in een magnetisch veld via een z.g
koud plasma, een speciaal gas, met behulp van
het Casimir-effect een hoog voltage aan
gelijkstroom tot ontlading te brengen. Als
die clusters, aanvankelijk EV's genaamd of
elektromagnetische vortexen later tot
EVO's
ofwel exotische vacuuüm
objecten
omgedoopt, samenpakkend in ringetjes van 20
of 50 micron, een voorwerp raken, geven ze
energie af die tot wel 91 keer de input
overschrijdt. Het thermisch proces, dat
verder geen neutronenstraling geeft, trekt
dus energie uit de ruimte aan. De ringetjes
van elektronen, waarvan het bestaan indruist
tegen de bestaande natuurkundige
theorieën die zich een groeperen van
normaal elkaar afstotende elektronen niet
kunnen voorstellen, vormen in feite een soort
van materieel waarneembare ventieltjes voor
de ruimtedruk die dan tot een
thermische
omzetting
van de gravitonen leiden. Het effect dat in
feite een pakketje elektrische lading in een
zichtbare vorm voorstelt, werd in 1980
ontdekt door de experimenteel natuurkundige
Kenneth R. Shoulders uit Bodega in
Californië, die, handig een dreigende
geheimhouding door de overheid omzeilend, er
een patent voor kreeg in 1991 (U.S. Patent
No. 5,018,180.0).
Geheimhouding was er bijna vanwege het feit
dat met deze technologie in principe
stralingswapens kunnen worden gemaakt die
niet hoeven te worden herladen en die alle
materie desintegreren die wordt geraakt. Ook
in 1992 (U.S. 5.153,901)
kreeg hij een soortgelijk patent, en in 1999
(U.S.
6271614)
kreeg hij een patent op een z.g.
elektromagnetische plasma-drive generator die
door hem werd ontwikkeld. Ook de uitvinder
Christopher
Arnold
spreekt in een uitvinding waar ook Bedini en
Sprain weer naar verwijzen, van
elektronenclusters, van het Electrum Validum,
in de uitleg van zijn op neodymium magneten
draaiende, superefficiënte Plasma-fusie
motor generator uit 2001 (hiervoor niet
besproken, U.S. 6271614).
Vermoedelijk speelden dezelfde
elektronenclusters niet alleen ook een rol
bij de Magnatron koude-fusievoorloper Rory
Johnson, maar ook bij vele andere vindingen
die we bespraken. Met de EVO technologie
zo
stelt Shoulders in
2007
kan in principe ruimtevoortdrijving en een
afweerschild gemaakt worden, maar dat laatste
kost aanzienlijk meer moeite dan het
produceren van het wapen. Echt Starwars dus.
Moge de kracht met u zijn, want zelfs een
allesvernietigend Starwars' evo-zwaard kan zo
worden gefabriceerd. Shoulders ontwikkelde
het proces verder met zijn zoon Steve. De
ontdekking die volgens de onderzoeker Hal Fox
als de grootste van de 20e eeuw moet worden
beschouwd, vormt een mijlpaal in de formele
erkenning van de mogelijkheid om
ruimte-energie om te zetten in bruikbare
elektrische energie. Samen met Fleishman en
Pons van de koude fusie zou hij de Nobelprijs
moeten krijgen zo stelt Fox. Ken Shoulders
maakte ook op de MIT conferentie voor Koude
Fusie technologie in 2005 melding van een
verband tussen EVO's
en het Hutchison
effect.
Verder hebben ook de Russen Alexander Ilyanok
uit Belarus, en Mesyats en Baraboshkin uit
Ekaterinburg nader onderzoek gedaan om deze
'ladingcluster'-technologie verder te
ontwikkelen en ontdekte Stan Gleeson, uit
Cincinnati, Ohio samen met Dr. Shang Xian Jin
dat het proces ook in water werkt en
effectief radioactiviteit kan reduceren. Met
die alternatieve mogelijkheden voor het
ontwikkelen van toepassingen komen de HDCC
ook in zicht bij het verklaren van de
waterprocessen in de vrije energiesfeer
(literatuur,
artikelen,
pagina's 1,
2,
3,
4).
|
HDT-elementen
|
massa
|
lading
|
spin
|
intensiteit
|
tijd
|
|
tijdruimte
|
oneindig
|
oneindig
|
geen
|
oneindig
|
+
lineair
|
|
universele
ether
|
0
|
0
|
rechts
|
hyper
|
cyclisch
|
|
graviton
|
0
|
±
|
dubbel
|
normaal
|
cyclisch
|
|
integron
|
nihil
|
0
|
geen
|
geen
|
-
lineair
|
|
neutron
|
1
+ nihil
|
0
|
geen
|
geen
|
+
lineair
|
|
proton
|
1-
nihil
|
+
|
rechts
|
super
|
cyclisch
|
|
elektron
|
nihil
|
-
|
links
|
super
|
cyclisch
|
De
hoofdrolspelers in de HDT en hun
veronderstelde eigenschappen:
het graviton is de gastspeler en de lokale
ether is quantummechanisch herkend als het
integron.
Met
de elektrolyse van Kanarev, Stanley Meyer en
Bill Williams (ix) wordt water
elektrisch geladen dat dan met de polariteit
van de elektrolyse, met name via een
'catastrofaal diëlektrisch mislukken'
van de opgebouwde lading, extra energie
oplevert door van het integron van de
individuele watermolecuul de energetische
basis te veranderen. Dat integron krijgt door
de 'energetische rek' die specifiek in een
watermolecuul zit een extra toevoer van
gravitonen te verwerken, de energie neemt toe
van het watermolecuul, maar daar is het
heersende neutron dat het integron tegenwicht
biedt niet van gediend, dat neutron moet de
zaak compenseren met een greep uit de
tijdruimte om extra steun, en die extra
energie zorgt ervoor dat het watermolecuul
uit elkaar valt - er is immers extra
integron- en neutronenergie voor - en dat er
ook een restpotentiaal in het water ontstaat
dat als een soort van kettingreactie nog een
hele tijd freewheelt voordat de orde
van het juiste neutron/integron evenwicht dat
voor het trillingsgetal van het water geldt
hersteld is. 'De volts aan spanning worden
omgezet in ampères aan stroom en
daardoor vindt er een vernietiging plaats van
het water dat dan opsplitst in waterstof en
zuurstof', zoals dr.
Peter Lindeman Meyer's werk
analyseert.
Water dat geladen is kan tot ontbranding
overgaan omdat met een restproductie aan
waterstof en zuurstof het verbrandingsproces
de lading er als het ware uit kan zuigen. Als
ergens in dat water de lading ontsnapt
probeert de rest van de lading daarvoor in de
bres te pringen om de lading gelijk te
verdelen, en dit gaat dan door tot de lading
te laag is om nog brandbaar Brownsgas vrij te
kunnen maken. Uitgebrand is het water dan
weer normaal. Geladen is het min of meer
gravitonenwater, water met een te hoog
energieniveau voor het normale trillingsgetal
van water, dat je ook onzeker water zou
kunnen noemen, water dat op springen staat.
Ook al werd de lading met elektriciteit
opgebouwd is het dus geen elektrische
ontlading maar een gravitationele ontlading
die vertraagd verloopt via het 'opgeschrikte'
water dat zich langzaamaan weer
'ontspant'.
Dit effect van water
met een verkeerd trillingsgetal dat energie
oplevert in dissociatie, doet denken aan het
Keely-effect van het via geluidstrillingen
beïnvloeden van het trillingsgetal van
verschillende soorten van materie (ii)
en het Huchison-effect (x) dat
langs een andere weg hetzelfde doet. Dat
koeien en planten het beter doen op klassieke
muziek dan op popmuziek was al bekend. De
interferentie van verschillende trillingen
geeft een erbij behorend opladen van de
materie die dan 'zichzelf' niet meer is, en
waardoor de integronwaarde en
tijdruimteverhouding van de materie wordt
aantast, zodat er een uitweg wordt gezocht of
een plaats die beter past bij het nieuwe
trillingsgetal. Iedere planeet heeft een
eigen trillingsgetal samenhangend met de
omtrek van de planeet. Het heet
wetenschappelijk sedert 1952 de
Schumann-frequentie,
het is een ultralage frequentie (ULF) die
voor de aarde varieert van tussen de 7.8 Hz
standaard en de 33.8 Hz, met 59,9 Hz als een
boventoon. Hij bestaat uit het
resonantiegetal van b.v. bliksemflitsen in de
holte gevormd tussen het oppervlak van de
aarde en de ionosfeer. Het betekent dat het
licht van een bliksemflits 7.83 keer om de
aarde gaat in één seconde en
dus de aarde dat
getal geeft als haar basisfrequentie van
resoneren. Een hoger trillingsgetal hoort dus
bij een kleinere planeet als de snelheid van
het licht elders gelijk zou zijn aan die van
dit zonne- of sterrenstelsel. Maar we zagen
al dat de lichtsnelheid een relatieve
constante moet zijn die samenhangt met de
afstand tot het centrum van het
sterrenstelsel in kwestie. Zo kan je dus
ongeveer eenzelfde trillingsgetal hebben met
een heel andere planeet dan de onze, of
eenzelfde planeet in een ander sterrenstelsel
met andere lichtsnelheidsverhoudingen.
Oppassen dus met alternatieve
elektromagnetische frequenties en
tijdmaten die ermee samenhangen. De
wereldcultuur is daarmee ook gewaarschuwd
voor het vasthouden van een tijdregelmaat die
vreemd is aan die van de aarde. Men heeft er
een psychologie mee van een 'verschoven'
tijdbewustzijn. Volgens de formule
Pt=Tw-TK
is de psychische instabiliteit van de
tijdervaring er als de resultante van de
spanning gevonden in het verschil tussen de
klokkentijd en de tijd van de natuur
(Meijer
1992).
Klokken en kalenders moeten wetenschappelijk
gesproken gelijklopen
met de frequentie van een passerende zon en
maan
om collelctief zonder illusie gelijkgericht
te zijn op de materiële werkelijkheid en
wetmatigheid van die planeet. Onze greep op
de werkelijkheid en onze geestelijke
gezondheid wordt erdoor bepaald. Een ander
trillingsgetal geeft zo een andere planeet of
een parallele wereld in een ander
sterrenstelsel met een naburige frequentie.
Zo zou er dan een hele bandbreedte aan
parallelle werelden bestaan waarheen men dan
in fasen (psychisch, emotioneel, materieel)
getransporteerd kan worden bij het
manipuleren van elektromagnetische velden of
met alleen al het aanhouden van de
standaardtijdfrequenties
van burgerlijke tijdconditioneringen. Het zou
heel goed de buitenaardsen uit kunnen lokken
om 'graancirkel'
te gaan
prediken
hier in onze graanvelden. Het proces van het
energie krijgen tot men teleporteert lijkt
als volgt te gaan; eerst ontstaat er een
energetisch effect door het afwijken van de
standaardgravitatie van je plaats in het
universum, dan ontstaat er antigravitie door
het wegvallen van de integron druk en
vervolgens ontstaat er teleportatie via de
hyperruimte naar de naburige frequentie van
een andere planeet van een soortgelijk
formaat als de hele integriteit van trilling
'overspringt' of 'wegschuift' naar een ander
trillingsgetal van de kromme ruimte. In feite
is dit verschuiven een fenomeen dat
geobserveerd is in o.a. het z.g.
thether-incident
van de NASA
waarmee in het infrarood een druk UFO-verkeer
werd waargenomen in de hogere luchtlagen.
Searl en Sweet (xii)
maakten beiden melding van eerst
energieproductie en toen antigravitatie van
hun generatoren die respectievelijk uit
diallel gearrangeerde roterende magneten
bestaan (Searl) dan wel uit snel vibrerende
magneten (Sweet). Ook Huchison ziet op basis
van interfererende elektromagnetische
frequenties in een testgebied net als Sweet
(xii) antigravitatie ontstaan als de
integron lading van zijn objecten door het
aanzuigen van de gravitonen onafhankelijkheid
bereikt in het 'laden' van de materie met een
andere, materiaalvreemde frequentie. Men zij
ook in dit verband herinnerd aan de
catastrofale gevolgen van het z.g.
Philadelphia
experiment
(Project
Rainbow)
van de amerikaanse marine in 1943, ondernomen
als een alternatief voor het Manhatten
project
om de oorlog te winnen. Men probeerde naar
verluid met de geheime medewerking van Tesla
en Einstein, een oorlogschip genaamd de
U.S.S. Eldrigde (fot0) onzichtbaar te maken
door sterke elektromagnetische velden om het
schip heen te vormen. Het werd een puinzooi
omdat de magnetische velden niet roteerden en
er zo niet een mogelijkheid was om een
afgrenzing van het veld met de verhoogde
elektromanetische energie te vormen. Men
bereikte dislocatie (teleportatie),
verdwijning en herverschijning, zowel als het
samensmelten van heterogene materialen zoals
Huchison dat ook constateerde:
bemanningsleden versmolten met het metaal van
het schip, anderen werden gek of losten
spontaan op in lucht of vlogen in brand in de
periode erna. Men kon het verschijnsel niet
beheersen, en stopte het project in de
doofpot vanwege de rampzalige gevolgen. Dat
was toen, maar tot op heden schijnt men er in
het geheim nog mee bezig te zijn in een
geheim project genaamd het Montauk
Project, dat goed geheim gehouden een bron
van vele samenzweringstheoriëen vormt
over UFO-technologie en
gedachtencontrole-apparatuur als militair
wapen.
Het
moge duidelijk zijn dat het experimenteren
met magnetische velden mogelijk een bron van
energie oplevert, maar dat het ook een gevaar
kan vormen als het de elektromagnetische
basis van ons eigen fysieke, en door het
integron beschermde bestaan aantast. Door het
oproepen van een kunstmatig zwaartekrachtveld
vervormt men de tijdruimte zoals ook ieder
hemellichaam dat doet, zo legde Einstein uit
aangaande de kromme ruimte van het integron.
Die vervorming geldt niet voor de lineaire
tijd echter die wordt gehandhaafd in het
zelfgeschapen veld waarmee ook de elementaire
structuur van de materie daarin die bestaat
uit protonen, elektronen en neutronen
gehandhaafd blijft. Zomaar vibreren van
magneetvelden kan extra energie opleveren,
maar ook een ernstige integriteitscrisis van
het fuseren van 'heterogene materialen
opleveren als het evenwicht van de lineaire
orde, de integriteit van de materie, met de
lineaire vibratie niet wordt gehandhaafd. De
paradox van de hyperruimtesprong bestaat
eruit dat men door de cyclische actie van
magnetische velden de lineaire
onafhankelijkheid van het integron
creëert.
Ook mechanische actie van
water(damp) trekt gravitonen aan zoals
aangetoond in de waterdruppelaar van Kelvin,
de Testatika van Baumann (viii) en de
hydrosonische pomp van Griggs en zijn
voorgangers. (x) De atomaire structuur
van (zwaar) water leent zich zoals we bij de
koude fusie en de processen van Kanarev al
zagen heel goed voor het opladen van de
toegevoegde energie die bij de verschillende
vormen van ontlading de gravitonenstroom die
zo door de beweging van het water werd
aangetrokken polariseert. In verhouding tot
een elektrostatische spanning polariseren ze
bij Bouwmann tot bruikbare elektrische
energie. Ze kunnen worden omgezet in
overunity warmte zoals bij Griggs, of
ook tot een dynamische elektrische ontlading
worden verleidt zoals bij Kelvin. De
Testatika vangt m.b.v. de elektrostatische
lading, die mechanisch wordt opgewekt, met
zijn aftasters de tegengesteld werkende
stroom van polariserende gravitonen op zodat
de machine een self-runner met
overunity wordt. Kelvin realiseert dat
verschil tussen het begin en het einde van
het bewegingstraject van het vallende water
zoals een bliksemstraal dat doet en Griggs
vindt zijn overunity hitte via de
explosie van de door de holten in de rotor
opgeroepen belletjes.
Met hun machines overwinnen
de uitvinders niet meteen de zwaartekracht of
de locatie van de generator in de universele
ether als de magnetische velden niet
supersnel of hypersnel ronddraaien. Men wekt
er allereerst, middels de dynamische relatie
van de gravitonen met de bewegende magneten
energie mee op uit het vacuüm. Alleen
het Searl effect kent antigravitatie door
superrotatie. De twee uitzonderingen gevormd
door de frequentiebeînvloeding van
Sweet met zijn generator en van Huchison in
zijn antigravitatie-experimenten zijn, omdat
ze geen van beiden berusten op rotatie,
minder te verkiezen volgens de HDT. Zonder
rotatie wordt er geen integron voor het
object geschapen maar slechts weggetrild, de
opgewekte gravitonenstroom verdringt dan het
integron en dat kan rampzalig uitwerken op de
integriteit van de elektromagnetische materie
van de gebruiker. Het zou zelfs een
desintegratiewapen kunnen vormen.
Wat betreft de
ethermachines tot dusverre besproken is er
samenvattend dus sprake van energiewinning
door het omzetten van de natuurlijke
gravitonendruk: E+Egd= ouE. Ofwel: een
basisenergie (E) die gravitonen weet aan te
trekken levert overunity energie (ouE)
op bij omzetting van de gravitonen die van
nature toestromen door de
integron-gravitonendruk van de zwaartekracht
(Egd). Anders gesteld kan je zeggen: de druk
van de lineaire tijd (Egd) levert overunity
energie op (ouE) als een na opstart de door
het systeem gehandhaafde basis-energie door
een cyclisch proces gravitonen weet aan te
trekken. De aangewezen methode voor het
aantrekken van de gravitonen is de rotatie
van magneetvelden, lucht of vloeistoffen.
Lineaire systemen die destructief zijn met
het integron, d.w.z het integron niet
opbouwen en herintegreren, ofwel een eigen
zwaartekrachtveld vormen, geven bij
schaalvergroting problemen, ook al kunnen ze
op kleine schaal voor particulier gebruik
nuttig zijn. De ethermachines zijn
gravitonenpompen die de lineaire tijd
omzetten in cyclische tijd. Die cyclische
tijd kan elektrische of mechanische energie
opleveren, maar kan in meer ontwikkelde
toepassingen rechtsreeks materie produceren.
Het klonen of reproduceren van bestaande
materie als een soort van versnelling van de
natuurlijke expansie van de materie is
mogelijk in de HDT. De
natuurlijke lokale elektrische werking van de
kristallen van Huchison valt ook onder deze
definitie. Door de geordende structuur van de
kristallen rangschikken de gravitonen zich
zodanig dat ze, als met een elektrische
impuls het kristal geladen wordt, een
geordende gravitonen-onzekerheid opleveren.
Het onzekere kristal zoekt via een
elektrische potentiaal dat vanuit zijn
ordening ontstaat dan zijn oude zekerheid
weer. Afhankelijk van zijn structuur kan het
kristal mogelijk lang of kort die onzekerheid
vasthouden, ongeveer zoals de ene stof beter
magnetiseert dan de andere stof (x).
Oppervlaktevergroting door het vergruizen van
het kristal levert meer potentiaal op. Dit is
wat Huchison laat zien in zijn Crystal Energy
Cell demonstratie. De radiant energy
zoals van Tesla, Moray en het staafeffect
(iv) is dan niets anders dan het
rechtstreekse aanspreken, via metalen platen
of combinaties van metalen in een diode, van
het potentiaalverschil tussen de lineaire
ether van de tijdruimte (de 'neutrino's'
etc.) en de cyclische gravitonenflux van de
cyclische ether of kromme ruimte oftewel het
aardmagnetisme. In dit laatste geval is de
aarde de draaiende magneet en zijn eigen
constructies van draaiing overbodig. De aarde
pompt a.h.w. al zijn eigen gravitonen.
Dergelijke machines zijn relatief het
eenvoudigst qua principe, ze benaderen het
best de definitie van de ethermachine als
zijnde een ventiel, sluis of klep voor de
ruimte-energie. Daar hebben we dan wel
energie van, maar geen ruimteschepen. Lang
leve ruimteschip
aarde.
Wat
nog rest is het verklaren van de orgone
energie van Reich (iii). Deze is wat
gecompliceerder omdat hier de antimaterie
ofwel het verschijnsel van het biologisch
leven een rol in speelt. Reich constateerde
een temperatuurverschil van 0.3 - 1 graad C
maximaal tussen organische en anorganische
stof, alsmede een energetisch, orgonaal
effect in samenhang met aan de basis
onderling verbonden lange metalen buizen in
een z.g. cloudbuster. Ondanks
Einsteins tegenwerpingen geven we hier Reich
het voordeel van de twijfel ervan uitgaande
dat Einstein bij gebrek aan een theorie van
alles (onze HDT) wellicht last had van het
heersende horizontale denken waaraan hij met
zijn verworven status vast zat. Reich noemde
zijn energie orgonaal, omdat organische
moleculen de etherische energie meer
aantrekken dan niet-organische moleculen.
M.a.w. het organische zelf vormt een
gravitonenpomp volgens Reich. Organische
materie kent een holistische integriteit: het
heeft, als het nog leeft, een zelfbewustzijn
en daarmee een vrije wil die de anorganische
materie niet heeft. Organische materie
kan
dus verticaal met een eigen wil opklimmend in
het bewustzijn tot vereniging komen waar
anorganische materie niet zoiets kent.
Organische materie heeft dus een spirituele
tegenhanger; ofwel geest, intelligentie,
lateraliteit, ego, gevoel en zelfbewustzijn
volgens de HDT. Anorganische materie heeft
weliswaar een gravitonenrelatie ofwel
elektromagnetische eigenschappen en een ermee
samenhangend krachtveld, maar heeft geen weet
van een spirituele tegenhanger. Anorganische
materie is onpersoonlijk, het is zich,
levenloos als het is, niet bewust van een
parallelle organisatie in de antimaterie. De
antimaterie geeft de materie samenhang,
integriteit, zelfcontrole en een motief van
zelfbehoud. De materie geeft diversificatie
te zien in een proces dat we evolutie noemen.
Uitgeëvolueerd op het materiële
vlak bestaat de volgende stap uit de weg
terug naar de singulariteit via de weg van de
antimaterie. In die evolutie ontstaat
geslachtelijkheid, intelligentie en geest
waaruit dan in de niveaus erboven de rest van
wat de HDT beschrijft volgt.
Zo ontwikkelden
levende wezens zelfbewustzijn en controle. Er
is als het ware een kringloop van de zich
differentiërende energie op het
materiële vlak die overloopt in de zich
verenigende energie die van de
verscheidenheid weg beweegt of weer terug
gaat naar de eenheid van het singuliere op
het antimateriële of spirituele vlak. De
spirituele evolutie neemt het over van de
materiële. Charles
Darwin
(1809-1882)
heeft geen ongelijk volgens de HDT, maar
beschrijft slechts het materieel
diversificatieproces van organismen, niet hun
realisatieproces waarin ze hun
oorspronkelijke eenheid in het voorbije
zoeken en vinden. Vanuit een oerstof
ontstaan we, maar we we keren er ook weer
naar terug. Het zijn evolutionaire
ideeën die terug te vinden zijn in de
opvattingen van presocratische
natuurfilosofen
als Democritus
(460-370-80 vChr.), bij de duitse romatische
filosoof, de 'transcendentaal idealist'
Friedrich
von
Schelling
(1775-1854) en bij de franse theoloog en
paleontoloog Pierre
Teilhard de
Chardin
(1881-1955). Door die intelligentie van het
zoeken van symmetrie met het materiële
zonder dat de verscheidenheid van de materie
wordt verloren - een verschijnsel wat je de
organische wet zou kunnen noemen - hebben
organismen hun bestaansrecht met een greep op
de materie en bereikt de evolutie die zo met
de persoon een volgende fase ingaat
volkomenheid. In die volkomenheid vormt het
levende wezen een binnen-buitenafgrenzing,
een dipool van eenheid of tijdloosheid die
staat tegenover de verscheidenheid of
tijdelijkheid, een dipool die op basaal
niveau al vanaf het begin van de schepping
bestond. Het zelfbewustzijn wordt gevonden in
een realisatieproces, het wordt niet
geconditioneerd van buitenaf als een
aanvulling op de materie. Er is dus wel
degelijk een 'intelligent design' van een
zich manifesterende spirituele
antimateriestructuur volgens de HDT. Zo'n
design wordt ook geïllustreerd door het
verschijnsel van verschillende
humanoïden op verschillende planeten
zoals de Disclosure Group bevestigt. Wat de
britse bioloog
Rupert
Sheldrake
morfische
resonantie
noemt geldt dan als een aanduiding van de
aanwezigheid van het intelligent kosmisch
ontwerp, een elders geëvolueerde vorm
die model staat voor de ideale organische
vorm: de humanoïde vorm, een vorm waar
een schilpad, een spin, een aap, of welke
organische levensvorm op een andere paneet
dan ook met hetzelfde evolutionaire recht
naar toe kan evolueren (Ninja Turtles for
real!). De zwitserse best-sellerauteur
Von
Däniken
met zijn stelling dat de goden kosmonauten
waren die onze soort misschien dan minder
morfisch gestalte gaven kan daarbij ook heel
goed gelijk hebben. Waarom zou de natuurwet
niet gelden die stelt dat de hoger
geëvolueerde integriteit dominant is
t.o.v. de lagere soort tot op het
verschijnsel van hogere en lagere
humanoïden toe? De menselijke vorm mag
dan superieur zijn, maar dat houdt nog niet
in dat homo sapiens de superieure humanoide
is, de god der mensen zou zijn (ookal kan dat
ook wel zo zijn natuurlijk, wij hebben immers
geen vliegende schotel voor het paradijs
nodig waar we al zijn). De tegenstelling
tussen de materie en de antimaterie was de
eerste in de schepping. Eerst was er het
singuliere waarin alles één is.
Toen was er pure energie, de donkere materie
die we tijdruimte noemen alsmede het
bewustzijn ervan als de eerste
anti-materiële tegenhanger. Toen
splitste de lineaire tijd zich op qua
richting en werd de universele ruimte
geschapen waarbij het ego zich losmaakte van
de gelukzaligheid van het zefbewustzijn, van
de gelukzaligheid van het geheel. Toen pas
kwam er, als condenserende waterdruppels, de
cyclische materie der manifestatie door het
wervelen van de tijdenergie die in
tweeën splitste omdat ze geen evenwicht
kon vinden. De gebroken symmetrie ligt aan de
basis van de schepping zo stelt de gevestigde
natuurwetenschap het vandaag de dag zoals we
al zagen. Die materie combineerde tot
organismen die blijk gaven van de
gelijktijdig ontwikkelde verscheidenheid van
de sprituele, tijdloze antimaterie. Pas met
de cyclische manifestatie van de materie is
er sprake van krachten die met die materie
werkzaam zijn. Simpel gezegd was er na het
Ene eerst de donkere energie, toen de
tijdrichting, en toen pas een materieel
krachtenspel; energie, tijd en
kracht ofwel: de pradhâna,
akasha en shakti van de drie
Vishnu's, de oerether, de universele ether en
de lokale ether zoals we die al besproken.
Spiritueel
is er parallel daaraan vanuit de Ene
zelfbewustzijn, dan ego en dan de seksuele
tegenstelling met een geest en een
intelligentie; zelfbewustzijn, ego
en wijsheid (vergelijk:
de natuurlijke geaardheden in het Spel van de
Orde).
Pas in de evolutie van het organisme toont
zich de orgone energie die het resultaat is
van de aangeboren neiging tot verenigen, het
verlangen terug te keren naar het singuliere
of naar de op de achtergrond steeds aanwezige
God, zoals men de integriteit van het
Volkomen Geheel is gaan noemen. Bij
spirituele vereniging komt immers energie
vrij, de energie die opgesloten zat in de
conditioneringen, net zoals dat materieel het
geval is bij het tot water verbranden van
waterstof en zuurstof.
De
schematische voorstelling van de
orgonaccumulator van
Reich
Zoals
de vedische klassieken het stellen: damp of
lucht geeft vuur en vuur geeft water. Zo ook
geeft de omkering van de evolutie in de
devolutie van de antimaterie hitte die aan de
binnenkant ontstaat waar de vereniging plaats
vindt. De energie van de evolutionaire druk
moet ergens heen en ontwikkelt zo dan warmte.
Zo zijn organismen warm in de biochemische
vereniging van hun etherische, organisch
afgegrensde water en draagt de organische
materie ervan nog heel lang die
warmtecapaciteit in zich als het leven er al
uit verdwenen is. Iedereen weet dat een
wollen trui 'warmer' is en 'beter ademt' dan
een synthetische trui. Maar kunnen we dit
gevoel technisch goed verklaren vanuit de
horizontale logica van het
niet-hiërarchisch denken volgens het
oude wetenschapsmodel? Nu moeten we eerlijk
zijn en niet arrogant de geldigheid van het
horizontale denken als bewijs voor de
ongeldigheid van het verticale HDT-denken
naar voren schuiven. Het warmte-effect, dat
er in de orgonale experimentele opzet zoals
in de afbeelding hierboven weergegeven
werkelijk is, is te verklaren uit de
antimateriële, hiërarchische
devolutie die in de vereniging in principe
warmte doet ontstaan. Hoe dat bij wol en
katoen zo kan zijn van een organisme dat al
dood is laat zich verklaren als een
gravitonenlading waarmee de antimaterie in
het levende wezen evenwicht hield, en die in
principe kan verdwijnen in de loop van de
tijd. Zo kan verse wol een hoger
temperatuurverschil opleveren dan oude wol.
Dat moet experimenteel worden onderzocht.
Er bestaat zoiets als
spontane
zelfontbranding
van mensen waaruit blijkt dat de controle op
het organisch/etherisch hitteproces weg kan
vallen. Hoe weten we niet precies. Een
voorbeeld van een geslaagde organische
hittebeheersing wordt gevormd door
mediterende monniken. Sommige monniken in de
Himalaya's kunnen naakt in de vrieskou
mediteren zodat de sneeuw om hen heen smelt.
Ze genereren puur hitte omdat ze gravitonen
kunnen produceren door hun spirituele
vereniging. Ze worden dan niet magerder dan
normaal, maar boeten wel in aan
handelingsvermogen. De levensenergie moet
ergens heen. De materie op zich lukt dat niet
omdat die immers onder de evolutionaire druk
staat van het diversificatieproces waarin de
krachten elkaar gescheiden houden. In de
devolutie echter gebiedt de ziel een einde te
maken aan de diversificatie die dan karma of
resultaatgericht bezig zijn heet. In deze
vereniging noemt men de warmte spiritueel
geluk en liefde. Dat is wat we ervaren als we
zondagen vieren: geen karma meer maar
vereniging zonder vruchtdragende bezigheden.
Dan is er de liefde en de warmte van het
samenzijn dat niks anders wil dan dat. De
normale principes van de thermodynamica in de
natuurkunde hebben betrekking op de
horizontale processen van het binden en
ontbinden van energie. Verticale
hiërarchische evolutie of devolutie van
energetische verschijnselen in de materie
vallen buiten die zienswijze. Verticaal is
materialiseren en dematerialiseren een
normaal iets. Zo is de evolutie en haar
tegenhanger nou eenmaal.
We komen ergens vandaan en keren ook weer
ergens naar terug. In het verticale bindt de
energie zich evolutionair stapsgewijze in de
diversiteit van de materie terwijl in de
antimateriële vereniging die energie
vrijkomt als bindmiddel van liefde en geluk
voor het ego dat tot zelfbewustzijn moet
komen. Zo zijn we dan perfect logisch met de
aanname van het graviton met zijn universele
krachtveld, of beter gezegd zijn
tijdruimtelijke werkelijkheid of
ruimtebereik, als de materiële parallel
van het ego met zijn gelukzaligheid van
seksuele vereniging. Van belang in dit
verband is te onthouden dat je de ruimte als
een vorm van materie kan zien en andersom,
net zoals je tijd en materie als omvormingen
van elkaar kan zien. Tijd, ruimte en materie
definiëren elkaar als zijnde de
basiselementen van de zichtbare
werkelijkheid: materie is tijdenergie die een
bepaalde ruimte inneemt.
Sommige
wetenschappers noemen religie en meditatie
een regressief proces, maar regressie is niet
het juiste woord. Devolutie is het juiste
woord. In het Engels betekent het het
delegeren van centrale overheidstaken naar
regionale besturen, maar hier willen we deze
term gebruiken voor een natuurlijk proces van
innerlijke vereniging met behoud van
uiterlijke verscheidenheid en structuur.
Regressie suggereert in een horizontale visie
het uiteenvallen van de structuur van de
materie in de richting van een voorgaand
stadium. Maar devolutie keert alleen maar de
gang van de evolutie naar binnen waarbij de
verscheidenheid niet verloren gaat: er is dan
verticaal 'verval' in de zin van het niet
verder tot resultaten komen. De energie wordt
aangewend voor het geluk en het
zelfbewustzijn, voor de stabiliteit van het
huwelijk en de harmonie van de geest en de
intelligentie. Rituelen zijn er dan om
contact te houden met de werkelijkheid en een
teveel aan energie af te voeren om
'zelfontbranding' of ongewenste
zelfverhitting te voorkomen. Iedere cultuur
van geestelijke vereniging kent rituelen en
offerplechtigheden. Horizontaal denkend
begrijpt men dat niet en denkt men dat er
iemand ergens voordeel zit te behalen met de
religieuze truc. Maar de meeste spirituele
oefeningen zijn heel goed alleen te
volbrengen zonder aandacht van anderen. Dus
die redenering gaat niet op. De essentie van
de energiekwestie zoals hier besproken is dat
we van de (relatieve) ether
mechanisch-experimenteel of organisch in
geestelijke vereniging energie krijgen en
harmonie vinden. De voorstelling van zaken
dat het allemaal bedrog is van mensen die je
alleen maar geld en je energie - of zelfs je
intelligentie of integratie - kosten, wijzen
we hier radicaal af als een vorm van
ziekelijke achterdocht of jaloezie, een
product van een verkeerd tijdbewustzijn.
Religies mogen dan oude koek zijn en de
religieuze boeken vol staan met metaforen en
allegorieën, maar ze vormen nog steeds
een essentiële basis van etherische
energiewinst waarop de cultuur gedijt. De
energiekwestie is in psychologisch opzicht
opgelost als we de orde van de tijd helder
voor ogen krijgen zoals die er in de natuur
is. Met het oplossen van de psychologische
problematiek van een foute conditionering
staan we dan vanzelf voor de volgende
praktische stap in onze culturele evolutie:
het vervangen van verbrandingsmotoren door
kwantummechanische vacuüm- of
ruimte-energie omzetters ofwel ethermachines
die werken op basis van een experiment dat de
relatieve ether als een energiebron
bevestigde. Dat experiment moeten we zien te
realiseren zodat al deze theorie en de
bijbehorende speculaties en hypothesen tot
repliceerbare machines leidt, ofwel werkt, en
dus ten minste gedeeltelijk, in haar
grondslagen dan, geldig is. Tot die tijd
zullen we het met zonne-energie moeten doen
als de vorm van duurzame energie die het
dichtst bij de directe winning (of omzetting)
van de relatieve ruimte-energie staat.
Willen we dus
begrijpen wat Reich aan het doen was, dan
moeten we de verticale denktrant achten. Hij
zag duidelijk een verband tussen orgone
energie en seksualiteit. Hij veronderstelde
dat een persoon blootstellen aan orgone
energie in een van zijn accumulators de
persoon zou genezen van impotentie en
dergelijke. Het zich seksueel
verenigen
vormt tantrisch,
d.w.z. meditatief geweldloos niet op een
resultaat gericht, in de HDT een van de twee
toegangspoorten - de z.g. dyonisische
of hedonistische weg - die de geestelijke
vereniging mogelijk maakt. De andere weg is
die van de geestelijke verenging in de
intelligentie: de
apollinische
weg.
Men spreekt ook van van links-handige
en rechtshandige
tantra
yoga in dit verband. En die twee keuzen zijn
er voor de beginners. Zo gauw er ego bij
ontstaat is het afgelopen volgens de HDT.
Mediteer je op de seks, dan verenigt zich de
intelligentie met de geest tot ego.
Evenzogoed kan je ook merken dat met
intellectuele arbeid die niet op resultaten
is gericht een celibataire weg kan worden
ingeslagen: de seks kan een storende factor
worden omdat die de aandacht voor het
'hogere' teveel afleid. Het ego of ik-besef
dat ontstaat uit de geestelijke vereniging
staat tegenover het geluk dat men zoekt in de
seksuele vereniging. Het is volgens de HDT
een onvermijdelijk neveneffect a.g.v. de
dualiteit van het geheel. Dus tenzij men in
het volgende stadium het ego samenvoegt met
het geluk zonder verder nog de seks erbij te
halen, kan er geen stabiel zelfbewustzijn
ontstaan dat de controle over de materie
mogelijk maakt die de mens nodig heeft om
zijn vrije wil niet-destructief uit te
oefenen en zo vreedzaam in harmonie met de
natuur en met elkaar voort te kunnen bestaan.
Na de seksuele meditatie komt de
egomeditatie, na het seksgeluk komt het
egogeluk. Egogeluk is zelfbewustzijn, is
individuele ziel. De materiële parallel
daarbij is dat de energiewinst en warmtewinst
uit de materiële vereniging op
organische basis de omzetting van gravitonen
ofwel van orgone, ongerichte energie inhoudt
op materiële basis. In strijd met de
principes van de thermodynamica als een
dergelijke energiewinst is, is dat niet in
strijd met de HDT. Orgone energiewinst is
niets anders dan het omkeren van de kracht
van de evolutie, een omkering waarin
gravitonen worden teruggewonnen door de
diversificatie of het karmisch streven naar
resultaten op te geven. Voordeel: materieel
is er thermische energie en vitale
harmonisatie en spiritueel is er een toename
van de synergie omdat er meer liefde en geluk
is en het ego tot zelfbewustzijn kan komen.
Dit strookt dan met Reich's claims dat zijn
accumulator mensen zou genezen van
verkoudheden, kanker, en seksuele
klachten.
Bij de orgone
energieproductie is er samenvattend dus
allereerst de tantra, dan wel de
intellectualiteit, van het overstijgen van de
geest en het seksuele en is er vervolgens in
de niveaus hoger in de individuele ziel het
verenigen van het ego in het geluk. Tenslotte
moet ook de individuele ziel zijn eeuwigheid
zoeken in de meer duurzame en permanente
bevrijding in het singuliere zelf van het
universum: de Superziel van wat de persoon
oorspronkelijk is als een vereniging van alle
materie, ruimte en tijd. In spiritueel
opzicht is de HDT in overeenstemming met de
inhoud van de wetenschap van de tantra en de
yoga: eerst is men pas'u-tantrisch
puur seksueel om de geest een ik te geven,
dan is men vira-tantrisch meer met de
yoga bezig om het geluk een ziel te geven en
tenslotte is men divya-tantrisch met
zuivere toewijding meer als een monnik
overwegend celibatair bezig om het
zelfbewustzijn tot Godbewustzijn te brengen.
En zo is dan de tijdloze devolutie compleet
zonder dat er regressie plaats vindt op het
materiële vlak.
Met
deze laatste directe energiegenerator van
Reich kunnen we dan besluiten dat de
technicus een mens met zelfbewustzijn is die
zich niet buiten de machine heeft gesloten.
Wat we van Reich kunnen leren is dat de mens
zelf de belangrijkste generator is van vrije
energie, vrij energie die we nodig hebben om
meer synergie te vinden met elkaar en zo
gezamenlijke problemen op te kunnen lossen.
Bij Reich zien we organisme en mechanisme in
elkaar overgaan en zo vormt hij een mooi
sluitstuk in de energiekwestie. Wellicht
duurt het nog dertig, veertig jaar eer we
vrije-energiemachines in de winkel kunnen
kopen. Technologie ontwikkelen voor de
consument kost nu eenmaal veel tijd en
inspanning. Zijn z.g. cloudbuster om het
klimaat te beheersen laten we hier als een
karmische excentriciteit van hem voorlopig
nog even buiten beschouwing. Het lijkt niet
direct van belang voor het onderwerp van de
energiekwestie om wolken uiteen te drijven,
ook al is er wel een verband met het
klimaatprobleem. Het klimaat laten herstellen
door het minder te storen is meer het
plan.
Als conclusie kunnen we
stellen dat de held in ons verhaal het
graviton-deeltje is: het onzichtbare en
massaloze deeltje cyclische tijdenergie met
zijn diffuse lading en spin. Volgens de
formele natuurkunde is, in het raamwerk van
de kwantum veldtheorie, het graviton een
hypothetisch elementair deeltje dat de
zwaartekracht overdraagt, en dat doet het via
wat we het integron ofwel het lineaire effect
van de ruimtedruk hebben genoemd. Het deeltje
niet kennend hoopt men het in
deeltjesversnellers aan te tonen. De
snaarheorie
voorspelt het bestaan van gravitonen
namelijk
alsmede hun duidelijk omschreven interacties.
Maar de HDT stelt dat manipulatie van het
graviton niet mogelijk is zonder het in een
ander deeltje om te zetten, net zo min als de
snelheid van het licht als een materiële
grootheid kan dienen voor het bewijs - of
weerleggen - van de ether als een zijnde een
niet-materieel, maar protomaterieel
verschijnsel. Je vergelijkt appels met peren
en dat gaat niet in de HDT, in de HDT moet je
anders rekenen op een ander nivo van de
hierarchie der manifestatie. Het zijn de
effecten die we hier hebben besproken die het
experimenteel bewijs van het graviton vormen.
Ronddraaien of vibreren van magneetvelden
geeft energie, doet iets met de zwaartekracht
en kan de tijdruimte vervormen. Maar een
flesje gravitonen blijft gewoon een flesje
met een vacuüm. Een leuke beschrijving
van het graviton vonden we op YouTube. Een
jonge amerikaanse vrouw zonder enige kennis
van de natuurkunde had een droom en vertelt
erover in een filmpje genaamd:
Random
Thoughts - What is a
Graviton?.
Ze zag een deeltje in de vorm van een kraal
en daarin een boom als een DNA-streng
geprojecteerd. Daarop vroeg ze zich af:
'God are you telling me that the nature of
the universe is contained in a
graviton particle?"
De HDT geeft haar gelijk, heel het universum
treft men aan in de ruimte die gevormd wordt
door het graviton.
De
energiekwestie is, met inbegrip van zijn
innovaties en de HDT-verklaring met het
accepteren van de realiteit van de orgone
kwaliteit, zoals we zagen tevens een kwestie
van hoe we met onze persoonlijke energie
omgaan: zijn we naar boven gericht op
onbaatzuchtige, geestelijke liefde en
innerlijke vereniging met de persoonlijke en
maatschappelijke voordelen daarvan of zijn we
vol van wedijver gericht op het krijgen van
biologische of geesteskinderen die de
materiële continuïteit van onze
beschaving moeten zekeren? Het antwoord is
dat de ladder van Jakob naar boven zowel als
naar beneden kan worden gebruikt. Het is
zoals we het in De
Ether
Bestaat!
(Aadhar 2006) al zagen meer een z.g.
Eschertrap: het opklimmen is tegelijkertijd
het afdalen. Dàt is evolutie en
verfijning in harmonie. En daar gaat het om.
Voor onze vooruitgang als mensheid in zijn
geheel is het verticale HDT-begrip van de
relatieve ether in ieder geval van essentieel
belang als we de kwestie van de directe
energiewinning en de klimaatbeheersing willen
aanpakken. Voor het verklaren waarom er met
directe transformatie elektrische of
mechanische energie verschijnt zullen we ons
in deze richting moeten bewegen. Als we
namelijk niet de energiebron kennen, maar met
een vinding als van de boven beschreven
ethermachines wel energie weten op te wekken,
ontstaat het merkwaardige probleem dat we
handen hebben die met het uitvinden
intelligenter blijken te zijn dan onze
hersens kunnen bijbenen: handen die slimmer
zijn dan hersens. Het kindje is er al maar
kan nog niet nadenken. Met de
ethertechnologie staan we, zoals ook Bearden
dat bevestigt, absoluut nog in de
kinderschoenen. Het bespreken daarbij van een
mogelijke free energy suppression
samenzwering van zittende
financiële machten die repressief zouden
zijn is dan minder van belang dan het
doorgronden van de psychologie van het
paradigmaconflict binnen een en dezelfde
persoon. Als die psychologie, die zoals we
zagen samenhangt met de orde
van de tijd,
is doorgrond bereiken we de integratie van de
culturele persoon en verliest de achterdocht
zijn macht, hoe reëel de dreigingen ook
waren die symptomatisch zijn voor de
onwetendheid rondom een evolutionair
onvermijdelijke
vernieuwing.

|