Pamflet voor een
Nieuwe Energiepolitiek
Minder
intelligent, zichzelf verloren
hebbend in zelfgenoegzaamheid met
dit gezichtspunt,
tieren de minder gunstige
activiteiten welig en leidt het
werk dat men doet
tot het onfortuinlijke van het
vernietigen van de planeet.
6)
Vier
overwegingen van orde
De
verklaring van de vinding is dus
net zo belangrijk als de vinding
zelf. De uitvinders zeggen simpele
dingen als 'energie opgewekt uit
magneten', 'uit het vacuüm', 'uit
elektrolyse' of 'uit kristallen',
maar dat wekt niet meteen begrip.
Zonder een gezamenlijke kennis van
zaken wat betreft de verticale,
onderliggende processen die de
bron vormen voor de
energie-omvoming kan de uitvoerend
ingenieur, die gewoon de principes
van omvorming moet leren
implementeren, ook moeilijk een
eigen toepassing ontwikkelen en
kan de patentraad hem moeilijk een
patent verlenen. De horizontale
waarheid van de wet van behoud van
energie, de bestaande orde der
dingen, de kennis van gesloten
systemen, moet daarnaast ook
overeind blijven. De toekomst is
er niet zonder het verleden, want
de toekomst is niks anders dan
alles van het verleden wat we
behouden en verder uitbouwen
konden. In de HDT is repressieve
vooruitgang, d.w.z. het ene
afzweren terwille van het andere,
geen werkelijke vooruitgang, maar
alleen een uitputting van de
synergetische mogelijkheden. De
oude methode blijft een optie;
ondanks de CD is de oude
grammofoonplaat nog steeds een
mogelijkheid. Als het mobieltje
het niet doet, pakken we weer een
lijnverbinding. Als de stroom
uitvalt pakken we de kaarsen en
olielampen weer. En als de nieuwe
energiegenerator niet werkt onder
bepaalde omstandigheden hebben we
misschien wel weer de oude methode
en verklaring ervan nodig.
Newton's klassieke mechanica is
nooit echt vervangen door
Einstein. Newton is nog steeds van
toepassing in veel voorkomende
gevallen. We breken de lagere
school niet af als we op de
middelbare school zitten. Einstein
vormt slechts een uitbreiding, een
nadere precisering, toespitsing of
een beschrijving van een
uitzondering of een verfijning.
Misvattingen of achterhaalde
methoden vallen weg, zoals dat
wellicht zo zal zijn met het
zonder noodzaak fossiele brandstof
gebruiken, maar steeds houden we
dat wel in onze geschiedenisboeken
in gedachten of zelfs als een
back-upsysteem ter beschikking.
Het museum heeft ook zo zijn nut.
Daar vinden we nog steeds de klok
die met de zon gelijk loopt, de
kolenkit waar nu ook nog geld mee
te verdienen is en de ontwerpen
voor de eerste kerncentrale waar
we ook nog niet zomaar vanaf zijn.
Van de nieuwe technologie moet de
beschrijving en verklaring van de
werking steeds samengaan met de
ontwikkeling ervan. Zonder een
goed empirisch onderzoek om de
theorie te toetsen vindt er geen
wetenschappelijke en bredere
maatschappelijke erkenning plaats
van het inzicht en zal de directe
energietransformator niet
industrieel worden geproduceerd.
We ontdekten effecten en zijn
erover gaan nadenken. En we zijn
er niet klaar mee. De inzichten
leiden tot nieuwe toetsbare
voorspellingen en ontwikkelingen.
Alternatieve verklaringen
ontwikkelen alternatieve
voorspellingen en leiden tot
andere wegen die in de toekomst
leiden. Zonder dit samengaan van
het serieus nemen van de
empirische kennis van de
experimenterende uitvinders, en
het meedenken met theoretiserende
filosofen en andere pioniers,
wordt zo'n uitvinder en/of
theoreticus, die dan zo eenzijdig
voor zichzelf bestaat buiten de
methode voor het ontwikkelen van
de wetenschap om, afgeschreven als
een loser, een dwaas, een gek of
een bedrieger, of zelfs als een
bedreiging gezien.
We stelden de
energiekwestie aan de orde, deden
onderzoek naar wat anderen deden
en deelden de zaak eenvoudig in,
we deden zelf een experiment, we
kwamen tot een verklaring van de
feiten en pasten een aantal andere
verschijnselen en verklaringen
daarbij in. Willen we de methode
goed afronden, dan zijn we nu toe
aan een inschatting van het
integreren van die bevindingen in
de bredere samenleving, het
grotere geheel van een nieuwe
wereldorde gebaseerd op onze
bevindingen. Met zomaar een
lumineus idee of een machine zijn
we er nog niet. Men verandert de
wereld, men doet een volgende stap
op de ladder van de evolutie van
de mensheid. Zonder de
theoretische kennis die samen met
praktische demonstraties moet
worden overgedragen in leerboeken
en leslokalen, zal er geen
commerciële praktijk zijn of een
nieuwe zienswijze echt hout
snijden. We hebben een betere
intelligentie nodig als we de
vernietiging van de planeet, zoals
we die met de oude energiepolitiek
zich zien aftekenen, willen
voorkomen. Nieuwe patenten, nieuwe
levensgewoonten en de daarbij
behorende commerciële
ontwikkelingen van verkoopbare
producten zijn er pas als we van
toevalstreffers, rare
onbeheersbare effecten en unieke
onnavolgbare prestaties zijn
aangeland in beheersbare en
berekenbare, voorspelbare en
herhaalbare methoden van
alternatieve energieomzetting. In
het verleden kwamen zonder dit
samengaan van een aannemelijke
theorie en een navolgbare praktijk
vele wetenschappers/uitvinders die
op zich goed geïntegreerd in de
samenleving stonden, zoals Nikolà
Tesla, Wilhelm Reich, Bruce
DePalma en vele anderen
gemarginaliseerd buiten de
samenleving te staan. En daarmee
blokkeerde voor de hele mensheid
de vooruitgang van de kennis en de
toepassing ervan op dit voor ons
gezamenlijke leven zo essentiële
terrein. Begin 21e eeuw is het
woord ether nog steeds taboe in
het wetenschappelijk onderwijs,
ondanks Einstein's formuleringen
van de relatieve waarheid ervan.
Een verenigde veldtheorie, een
theorie van alles, kan niet om het
begrip heen. In 1963 stelde Paul
Dirac, Nobelprijswinnaar in de
natuurkunde het volgende hierover:
"...de
mislukking van de
natuurkundigen in de
wereld om een dergelijke
bevredigende theorie te
vinden, na zo vele jaren
van intensief onderzoek
vormt voor mij een
aanleiding om te denken
dat de etherloze basis
van de natuurkundige
theorie de grenzen van
zijn vermogen heeft
bereikt en om in de
Aether een nieuwe hoop
op de toekomst te zien".
Paul
Dirac, Nobelprijs
winnaar in de
natuurkunde in 1933
Scientific
American, The
Evolution of
Physicists Picture of
Nature, Mei 1963
|
Was niet gebeurd
wat b.v. met Wilhelm Reich gebeurd
is - hij eindigde 3 nov 1957 met
een hartaanval dood in de
Lewisburg Federal Penintentiary -
en waren we met de pioniers
paradigmatisch handiger geweest,
dan hadden we nu wellicht geen
wereldwijde oorlog over olie- en
gasbronnen gehad en een zo
naargeestig en fel omstreden
eenzijdig, economisch bepaald idee
van wereldorde... Zo belangrijk is
nu de filosofische onderbouwing.
Zelfs al is die onderbouwing
misschien uiteindelijk niet de
doorslaggevende, toch moet ook
daarin steeds worden ondernomen.
De eenzijdigheid in weerwil ervan
kennen we als het materialisme, als een behoefte
aan valse zekerheden, als een
vlucht in de feitelijk brandende
materie der wereldse
tegenstellingen van het ego dat we
met al zijn politisering nu
makkelijk kunnen herkennen in het
verstrikt zijn in de materiële
energiekwestie van het
horizontale, eenzijdige denken. In
die verstriktheid overheerst het
handelsidee, het idee dat ons
geluk te koop zou zijn, een
opvatting die kapitalistisch zelfs
de democratie neigt te verdringen,
terwijl de democratie nu juist het
ideale logo voor de vrijhandel is.
Wereldorde moet weliswaar een
handelsgeest kennen, maar kan
natuurlijk niet alleen maar
daaruit bestaan. Er is ook niet
meteen een extra filognostische,
politieke partij voor nodig, maar
op de eerste plaats een denkmodel
of paradigma als de HDT, hoe voorlopig van
aard dan ook, om in een bredere
wetenschappelijke zin dan die van
het economische en mechanische
denken dat normaal de
energiepolitiek beheerst, te
kunnen komen tot relativering en
consolidering. Er is een paradigma
als dit denkmodel nodig dat in
principe, zoals het nu in dit
pamflet is geschetst, breed
maatschappelijk kan worden
begrepen, kan worden ondersteund
en verder kan worden ontwikkeld om
in het onderwijs te worden
overgedragen. Met het aanvaarden
van het begrip van een in de
natuur werkzame, dynamische,
relatieve ether kan een ieder
snappen dat we daar net zo goed
energie uit kunnen halen als uit
het werken van de wind, de zon en
het water. Ook de ruimte is
werkzaam als een energetisch veld
waar je iets mee kan. Punt uit.
Hoe je het ook noemt verder.
Naast het economische denken en
het natuurwetenschappelijke denken
ten behoeve van de energiewinning
en -beheersing zijn er twee andere
facetten die bij een deugdelijk
begrip van wereldorde komen
kijken. Dit zijn de belangen van
een overkoepelende wereldreligie
en een wereldstaatsvorm. Om het
probleem van de strijdige lokale
religies die er rondom het
etherbegrip en het door de HDT
gesteunde
spirituele belang bestaan op te
lossen moeten we de religies
bespreken en hun plaats in de
samenleving. Ook moeten we ten
tweede de orde van een staatsvorm
bespreken die voor de hele
wereldbevolking aanvaardbaar is,
een vorm van bestuur waar zowel
het belang van het geheel als van
de individuele staat mee gediend
is. Een soort van win-win formule
simpel gezegd. Dat begrip van orde
moet de strijdigheid
van het huidige democratische
bestel wegnemen enerzijds
en anderzijds positief contact
weten te houden met de beheersing
van de energie zoals die er dan
met de natuurlijke (relatieve)
ether is. Vanuit de HDT spreken we in het
respect voor de persoon in
volledige zin, ten eerste, op het
hoogste niveau van differentiatie,
van het belang van de man, de
vrouw, de intelligentie en de
geest. De geest staat in de
verschillende natuur- en
menswetenschappelijke vormen van
vereniging centraal, met als
leidend thema de vrijheid van
illusie: wat we denken moet
overeenstemmen met wat we zien. De
intelligentie vormt de tegenhanger
van de onrustige geest die op
zichzelf staand steeds op de
materie gericht is. De geest heeft
de sturing van de intelligentie
nodig vanuit een zekere vereniging die wat betreft de
persoon orde moet scheppen. Dat
ordenen terwille van de
intelligentie gebeurt in de
religiositeit en de
privésfeer waarin het individu
allereerst zijn rust en
geborgenheid zoekt.
De mannen in de
samenleving discussiëren over de
orde die er nodig is om niemand
tekort te doen zodat de
gemeenschapszin wordt gered en
niet criminaliseert. Die orde
noemen we nu geen adel meer maar
democratie. De ruggespraak met het
volk is de essentie van een goed
en stabiel bestuur dat bij de tijd
moet blijven. Zo bezien staat de
man van het nieuwe model niet meer
met wapens oorlogen uit te vechten
terwille van een eenzijdige
wereldheerschappij en dictatuur,
maar moet hij nu met zijn
paradigmatische opvattingen en
begrippen politiek bedrijven om
gewapende conflicten te voorkomen
in het werelddenken dat helaas
vaak meer op territoria of
nationale identiteit is gebaseerd
dan op een natuurlijk cyclisch
begrip voor de tijdorde van ons
materiële leven zoals de HDT dat ziet.
De vrouw staat
niet
geëmancipeerd zijnde voor het
aardse belang: het huis, de
financiële zekerheid en de
ondersteuning van de man in zijn
wereldse taken. Maar met een zelf
ontwikkelde zin voor
maatschappelijke en ideële
verantwoordelijkheid buiten de
privésfeer om, kent men haar voor
wat ze werkelijk is: een ziel, een
persoon met een geest. Alleen met
man en vrouw gezamenlijk
geëmancipeerd is er een
mogelijkheid van liefde en geluk
waarin het ego kan oplossen, het
seksisme kan verdwijnen en de
ziel, die de feitelijke
gelijkmaker van de mens is, kan
worden gevonden. Voor de
volledigheid van het persoonlijke
belang van ons mensen is de
spirituele helft van de HDT die voor het
belang van de ziel staat minstens
zo belangrijk als de materiële
helft. De HDT impliceert een
begrip van emancipatie van
gelijkworden in de getuige van het
zelfbewustzijn die we de ziel
noemen. Ook in dat opzicht moet er
dan verticaal worden gedacht: weg
van het enkel maar rationaliseren
van de burgerlijke gehechtheden en
weg van de treurnis van een
afwezigheid van een werkelijke
collectieve intelligentie en
menselijkheid. Enkel maar
horizontaal denkend in
materialistische termen die
stellen dat man en vrouw met het
bestrijden van het celibataire hun
denken en intelligentie moeten
inzetten voor het belang van hun
en andermans materiële
behoeftenbevrediging, zal de kar
niet kunnen trekken.
Verticaal
denkend
moet
de parallel gevonden worden met de
energiewinning vanuit de ether
m.b.v. de nieuwe technologie van
de uitgevonden gravitonenpompen.
Zonder die parallel kan het
paradigma niet slagen en blijven
we weer steken in verdwaalde,
geïsoleerde, ontkende,
geridiculiseerde en vergeten
uitvinders en alternatieve denkers
en vernieuwingsculturen. Praktisch
toegespitst zijn er dan met de HDT
vanuit het idee van de evolutie en
de kennisoverdracht, de noodzaak
van een stabiel democratisch
bestuur, de concrete leniging der
materiële behoeften en het respect
voor de spirituele waarheid en de
integriteit van de persoon
respectievelijk 1)
wetenschappelijke, 2) politieke,
3) economische, en 4)
religieuze overwegingen in
samenhang met het etherbegrip te
constateren. Overwegeingen die
allemaal een even grote rol spelen
bij het tot stand brengen van een
coherent wereldbestuur, een nieuwe
wereldorde, een orde waarin er de
eenheid van de klassieke
ether, ofwel een evenwicht in de
relatieve ether, heerst in zowel
een culturele als een natuurlijke
zin gezonde verscheidenheid. Dit
stookt dan met het dictum van de
Europese Unie b.v. van eenheid
in verscheidenheid (zie ook
de Bhagavad Gîtâ
9.15). De belangrijkste
reden dat de vooruitgang van de
mensheid in relatie tot het
energieprobleem niet zo gauw tot
stand komt, schuilt met het in
aanmerking nemen van de aan het
einde van hoofdstuk vier genoemde
hindernissen, in het feit dat een
dergelijke wetenschappelijke
vernieuwing gewoon te veel om het
lijf heeft voor een enkel individu
om te overzien, te veel
maatschappelijke, oftewel
religieuze, politieke en
economische gevolgen heeft om als
manier van denken en doen zomaar
door te kunnen breken. Maar toch
kan men met de noodzaak van een
nieuwe energiepolitiek het
paradigma van een nieuwe
wereldorde er als een
onvermijdelijk gevolg van onze
culturele en wetenschappelijke
ontwikkelingen zien komen. Men kan
er om praktische redenen
uiteindelijk niet omheen die vier
aspecten gelijktijdig te
propageren als één samenhangend
geheel. De argumenten daarvoor
luiden als volgt:
1)
Wetenschappelijk
moet dus het etherbegrip in zijn
relativiteit worden
hergewaardeerd. We maakten al
melding van verschillende
tekenen dat dit proces inderdaad
reeds in gang is gezet. Daar
sluit dit pamflet bij aan.
Gekoppeld aan die ontwikkeling
zal er ook een herziening
van het tijdbegrip moeten
plaatsvinden. De ether kan
namelijk niet worden losgezien
van de tijd en de materie.
Materie vormt de
elektromagnetische condensatie
van de donkere energie van de
oertoestand, en de tijd bepaalt
het leven van die materie in het
energetisch vacuüm van de
buitenruimte. De materie is
nooit perfect statisch, de
relatieve ether die de orde
bewaakt van de materie, verkeert
voortdurend in een dynamisch
evenwicht. Ze is onder de
invloed van de tijd altijd in
beweging met velden die door
velden bewegen en velden die
naar elkaar en van elkaar af
bewegen, en het is dan ook de
tijd die de eigenlijke
transformatie van de energie van
het statisch veld naar een
elektrische stroom van
elektronen mogelijk maakt door
handig gebruik te maken van de
dynamiek, of kwantummechanische
onzekerheid, van de relatieve
ether. In de kwantummechanica,
hebben de positie en het
momentum van de deeltjes geen
precieze waarden. Het heet het onzekerheidsprincipe
van Heisenberg. Werner Karl
Heisenberg (1901-1976) was
een duitse geleerde die in 1932
de Nobelprijs ontving voor het
creëren van de kwantummechanica,
de
theorie
over de relatie tussen
ondeelbare eenheden van energie,
de z.g. kwanta, en de materie.
Van hem stamt ook het idee van
de proton/neutron structuur van
de atoomkern. Er is voor de
elementaire materie sprake van
een
'waarschijnlijkheidsdistributie'.
Er bestaat voor de materie
altijd een bepaalde onzekerheid
tot welk veld het behoort en in
welke mate: het lokale, het
universele en het
tijdruimtelijke veld verkeren op
deeltjesniveau en groter in een
voortdurende interactie. Tijd,
ruimte en materie is alles wat
er is te zien in de wereld en zo
moet dan, met de herdefiniëring
en herwaardering van de
relatieve ether als een bepaalde
eigenschap van de zwaartekracht
in de ruimte, ook de
relativiteit over het tijdbegrip
politiek worden afgeroepen en
gerespecteerd. Dit houdt in dat
de gelijktijdigheid die Einstein
afwees dan ook voor ons in de
burgermaatschappij uit den boze
is, zodat gemiddelde tijden,
zonetijden en zomertijden
politiek moeten worden afgebouwd
en uiteindelijk afgeschaft. Wat
betreft het taboe op de
gelijktijdigheid had Einstein
volgens de HDT gelijk.
Wettelijke tijdregelingen mogen
niet in conflict verkeren met
wetenschappelijke beginselen,
dat moet dan het regeringsbeleid
zijn. Geen wetenschappelijke
tabellen meer in de politieke
prullenbak. Het dictum luidt
dan: we delen synchroon
weliswaar het moment, maar de
tijd is altijd verschillend op
een verschillende plaats, in
ieder geval latitudinaal (voor
zowel een longitudinaal als
latitudinaal tijdsrespect zijn
ongelijke uren nodig die erg
lastig zijn te respecteren voor
de burger; slechts de Islam doet
dat - goeddeels - met de gebedstijden).
Zo wordt dan de
reeds bestaande liberalisatie
van het tijdbegrip in het
bedrijfsmanagement begin 21e
eeuw, wetenschappelijk
ondersteund met wettelijke
maatregelen die een lokale en
persoonlijke,
gedecentraliseerde, natuurlijker
tijdorde beter ondersteunen.
Klokken mogen dan alleen nog
maar gelijklopen als ze bij
elkaar komen in dezelfde ruimte.
Op afstand, in ieder geval
latitudinaal dus, moeten ze
steeds een andere tijd
aanwijzen. Zonder een dergelijke
ingreep in de burgerlijke orde
is het basisprincipe van de
relativiteit, van het respect
ermee met de ethermachines en
van de eenheid van het
bewustzijn in de verscheidenheid
van de materie geschonden en zou
er sprake zijn van een
politieke, burgerlijke eenheid
die ten koste gaat van de
verscheidenheid. Dat zou een
vorm van inductie (valse
eenmaking) en bewustzijnsverlies
zijn die ronduit gevaarlijk is
voor de geestelijke
volksgezondheid en de
ontwikkeling van de cultuur (de
synergie gaat verloren in
compensaties). Een dergelijke
valsheid moet op alle fronten
bestreden worden. Valse eenheid
ten koste van onderscheidingen
is dan dus een
natuurwetenschappelijk
ontwikkeld taboe. Generaliseren
is gevaarlijk ('allemaal een
uniform' a.h.w.). Een hang in de
richting van een valse eenmaking
met de tijd zoals die in de
twintigste eeuw ontwikkeld werd
samen met de cultuurneurotische
tegenhanger van het
individualisme, is dan
rationeel-politiek onverantwoord
en onaanvaardbaar. Het nieuwe
paradigma moet zo ook gepaard
gaan met een nieuwe klok:
dezelfde klok als die we hadden,
maar dan voortaan met een extra
tandrad dat astronomisch
aangestuurd wordt met respect
voor de z.g. tijdvereffening (het verschil
tussen de zonnewijzer en een standaardtijdklok), zodat
tenminste latitudinaal de tijd
op aarde verschilt per
lengtegraad (zie solaire
tempometer).
Ook de
kalender moet dan een
transformatie ondergaan waarbij
men enerzijds de dag en de week
doet inpassen in - en laat
meelopen met - de orde van de
zon, en er anderzijds een soort
van vrije dag komt die met de
maanfasen dwars door die orde
van de zon heenloopt als was het
een wandelende zaterdag (zie de
Volledige
Kalender van Orde). Lineaire weken
zoals we die van de
standaardtijd kennen vormen
eveneens een soort van valse
eenmaking waarbij de dynamiek
die er is als gevolg van de
relatieve ether wordt ontkend;
m.a.w. de weekorde moet worden
geschrikkeld met een vijftiende
dag (studie dag? vasten dag?) om
in een maand in te passen,
ongeveer zoals dat op de oude
juliaanse kalender plaatsvond.
Zonder dit respect voor de
natuurlijke dynamiek van
hemellichamen gebaseerd op een
relatieve ether, kan er geen
sprake zijn van een beter
collectief en burgerlijk begrip
voor de ether. En dat begrip is
nodig voor de nieuwe
energiepolitiek. Einstein stelde
duidelijk dat de tijd
afhankelijk is van de manier
waarop de waarnemer van plaats
verandert met zijn positie op de
planeet. Als we ons geografisch
niet veel bewegen komt dat neer
op het respect voor de
schijnbare astronomische
zonnetijd. We komen zo bezien
dus niet onder een herziening
uit van ons tijdsysteem en de
wettelijke maatregelen die erbij
horen. Omdat we daarmee
terugkeren naar oude structuren
hebben we daar niets van te
vrezen, het zit nog in onze
culturele genen.
Filosofisch/politiek zitten we
dan met het probleem van een
paradigmatische strijd tussen de
emotionele, pragmatische
politiek van de 'moderne'
voorkeuren en burgerlijke
gehechtheden uit de twintigste
eeuw en de
nieuw-rationeel-relativistische
voorkeuren van de 21e-eeuwse
restauratie van de klassieke
wetenschap in een syncretisch
jasje. Het relativisme nieuwe
stijl, een rationele stijl, is
een onvermijdelijk iets als ze
de theoretische basis vormt voor
de nieuwe technologie van een
directe energietransformatie. We
hebben de rationele verklaring
van de nieuwe relativistische
ethermachines gewoon nodig en
kunnen dat niet als iets zien
dat los kan bestaan van de
burgerlijke cultuur.
2) Politiek
krijgt natuurlijk ook zo het een
en ander zijn beslag met de
nieuwe denkwijze. Er moet er een
herziening plaats vinden van
het democratisch begrip.
We schreven hier al over in 'De Ether
Bestaat' (op site:
Ordening,
democratie en utopie). Er is
een democratie nodig waarin de
individuele partij, het
collectieve groepsego a.h.w.,
nooit meer eenzijdig kan
domineren. De democratie kent
als paradox dat de politieke
partij de grootste bedreiging
voor haar behoudt vormt. Wat
moet verdwijnen is de mengeling
van angst voor en lust met de
democratie die onder de
burgerbevolking heerst die
steeds hoopt op overwinningen
dan wel vreest voor een
dictatuur of afglijden. In de
HDT herkent men die staat als
een staat van psychisch lijden,
als een symptoom van een
wereldwijde cultuurneurose. Men
is op zijn hoede voor die
democratie die leidde tot
fascisme, communisme,
fundamentalisme en uiteindelijk
ook de ellende van het
kapitalisme, het kapitalisme van
de nepadel van financiële elites
die, net als de franse edelen
van vóór de Franse Revolutie, te
weinig hart hebben voor de noden
van de lokale wereldbevolking.
We kunnen tegen de Afrikanen en
andere derde wereldlanden niet
zeggen dat ze maar cake moeten
eten zoals Marie-Antoinette
Bonaparte dat zei aan het einde
van de achttiende eeuw. De
oorlog tegen het terrorisme en
tegen criminele subculturen (was
9/11 een z.g. 'valse vlag?', was
de CIA misdadig?), de strijd
tegen AIDS (wel of niet HIV
veroorzaakt?), en de oorlog
tegen drugs (legaal/illegaal?)
en de gok- alcohol- en
seksverslaving (geregeld bij de
wet of verboden?), bewijzen
begin 21e eeuw dat het
kapitalisme op zich nooit de
vrede van een goed
maatschappelijk evenwicht en een
dito gezondheid kan vormen of
vinden. Vrijheid is nog geen
rechtschapenheid.
Er
moet een concept op tafel komen
van een democratie die deze symptomen van
het materialisme niet meer als
een op zichzelf staand probleem
bestrijdt, maar de ziekte
behandelt van een slechte veldbeheersing (een slechte
tijdorde) met de burgerdeugden - de regulatie
van de lust, het ego, de
intelligentie en de vereniging.
De ziekte moet juist bij de
wortel worden aanpakt met een
verbeterd, meer wetenschappelijk
ether- en tijdbegrip en met een
daarmee samenhangende verbeterde
energiepolitiek. De democratie
als de snelweg naar een
eenzijdige, politieke oplegging
van een socialistische,
kapitalistische,
fundamentalistische of een
fascistisch/militaristische aard
moet worden voorkomen. De hoop
op de democratische overwinning
van welke partij ook moet als
definitief illusoir en
destructief worden afgeschreven.
Met de filognosie van de HDT
streven we politiek naar
samenwerking in alles omvattende
coalities, naar integriteit dus
en niet zozeer naar de
overwinning van het ene ledemaat
van de samenleving op het andere
ledemaat. De politieke structuur
van de democratie is als een
lijf met vier ledematen. Die
vergen een centraal integer en
stabiel, wetenschappelijk
geschoold bestuur. Voorlopig
krijgt de wetenschap als zijnde
de jongste religie (aanbidt de
ether met de ware tijd!) die
taak toebemeten met als opdracht
de eigen denkwijze fris en bij
de tijd te houden en niet met
een vals elitarisme te
verbrokkelen in subsidie- en
sponsorwedijver. Dit lukt alleen
door ieder van deze
partijpolitieke neigingen tot
dictatuur als een apart belang
van de burgerdeugd met de nieuwe
orde van de tijd zoals hiervoor
beschreven in een afzonderlijk
veld van handelen te isoleren en
in evenwicht te houden met de
andere belangen. Dit kan
bestuurlijk door middel van een
herverdeling van zetels in de
parlementen en een verdeling in
ministeries en subdepartementen,
op zo'n manier dat dezen beter
aansluiten bij elkaar en bij de
aard van de identiteit van de
gewone burger in de zin van zijn
leeftijd (status) en beroep
(klasse; zie Een Kleine
Filosofie van de Vereniging).
Om de valsheid van een dergelijk
stelsel te voorkomen (een
kastenstelsel of een
klassenmaatschappij) en de
gelijkheid van de burger te
waarborgen moet er dan, met het
principieel en structureel waken
tegen valse eenmakingen, ook
achting zijn voor de
abstractieniveaus waarop iemand
kan functioneren en de ervaring
die hij heeft. De burger is
gelijk in zijn geëmancipeerde
respect voor de natuurlijke
verscheidenheid. Dit moet steeds
onthouden worden. Een betere
differentiatie en verdeling van
de politieke en economische
macht vormt zo de remedie tegen
een scheefgroei. Een dergelijke
meer identiteitsbewuste
politiek, die met beter
differentiërende kiesgroepen
(tot nu toe: vaste
kamercommissies) bestuurlijk het
individu beter behartigen en het
individualisme als een
cultuurneurotisch symptoom
bestrijdt, moet dan steeds
gebaseerd zijn op de
mensenrechten.
Niemand mag
vanwege het geld of om andere
redenen bij de vuilnisbak worden
gezet, dat moet grondwettelijk
geregeld worden, de
basisveiligheid is een absolute
voorwaarde om relatief
stressvrij en gezond te kunnen
meedoen of van richting in het
leven te kunnen veranderen. Een
full-time vrijwilligerswerker is
menselijk gesproken net zo veel
waard als een gesalarieerde
kracht en de burger moet dan ook
in een mensvriendelijk systeem
gewoon vrij kunnen kiezen tussen
deze twee fundamentele
basisidentiteiten in het
arbeidsbestel waarin dan de
werkeloosheid in principe niet
meer bestaat; de werkeloosheid
is dan meer een neurotisch
verschijnsel van een
persoonlijke identiteitscrisis.
Je werkt voor een salaris bij
een baas, of voor de God van het
vrijwilligerswerk, en de enige
mogelijkheid die dan nog
overblijft is het misdadig of
ziek zijn, en dat is
maatschappelijk ook allemaal
geregeld, zij het minder naar
vrije keuze. De vrije wil van
een rechtschapen en gezond
individu om wel of niet mee te
doen op dit of dat niveau van
betrokkenheid of veld van
handelen in de burgerdeugd is
essentieel. Een systeem is
volwaardig als het de dualiteit
van geest en stof respecteert en
als men net zo makkelijk kan
kiezen voor materiële
vooruitgang als voor geestelijke
vooruitgang. De twee kunnen toch
niet zonder elkaar, dus is het
ook een illusie om met het ene
het andere proberen uit te
sluiten, zoals men dat wel voor
ogen heeft in de strijd tussen
het kapitalisme en het
fundamentalisme. Het reddende
systeem moet sluitend zijn en
inclusief - d.w.z. een ieder
moet zijn inbegrepen maar niet
zijn gedwongen - en kan niet
rechtvaardigheid pretenderen met
uitsluiting of exclusiviteit.
Ook het niet-meedoen, zelfs met
deze nieuwe orde, hoort dan bij
een categorie die wettelijk,
wellicht met de oude wetgeving
nog dan, beheerst wordt. Men
tekent b.v. een contract van
(digitale) medewerking
(transparantie of
controlebevoegdheid van
transacties en activiteiten) met
de regering of men kiest voor de
oude vrijheid van de liberale
privacy, met de nodige problemen
van controle op passief kapitaal
en belastingen en dergelijke. In
die keuzevrijheid moet de
politieke vertrouwensbasis te
vinden zijn. Het zal immers niet
zonder meer duidelijk zijn of
zo'n status van medewerking (SvM)
ook werkelijk beter meewerkt dan
de privacy-voorkeur. Zuiverheid
is een ideaal waavoor al eeuwen
gebeden wordt.
3) Over geld valt altijd veel
te zeggen en met een nieuwe
energiepolitiek zal er ook een
nieuw stelsel van inkomsten en
uitgaven komen. Het culturele
landschap verschuift en de
economie moet meeschuiven. Dat
is onvermijdelijk. De
vooruitgang kan niet aan de
Mammon worden geofferd, dat zou
culturele zelfmoord zijn. Een
centraal gecontroleerde digitale
economie zoals men die monetair
progressief plijtend voor de
nieuwe wereldorde graag ziet,
kan alleen bestaan als de oude
lokale economie als back-up
systeem blijft functioneren en
de burger steeds een vrije keuze
heeft zonder te worden
gedemoniseerd. We zijn niet
slecht als we het grootkapitaal
niet dienen, en we zijn ook niet
slecht als we dat wel doen.
Eenheid in verscheidenheid
impliceert een gelijkgezind
bewustzijn van alle dualiteiten
van arm en rijk, man en vrouw,
concreet en abstract etc. Economisch
moet er dus, gekoppeld aan het
energiebeleid en de politieke
heroriëntatie op de
burgeridentiteiten, gedecentraliseerd
en geliberaliseerd worden.
Iedere identiteitsgroep en niet
zozeer iedere natie of oude
politieke partij krijgt dan zijn
eigen lokale economische beleid
met dezelfde preventie tegen
voorkeursbehandelingen als die
in de democratische hervorming
terwille van de op de burgeridentiteit toegesneden
kiesgroepen plaatsgreep. Met een
toenemende integriteit en
stabiliteit van bestuur zoals
onder het vorige punt beschreven
is er ook meer verfijning en
effectiviteit mogelijk. Door de
nieuwe energiepolitiek is de
synergie van de samenleving
immers gered. Zo wordt ook een
eenzijdig zakkenvullen met de
navenante politieke scheefgroei
tegengegaan. Met de directe
energiewinning wordt namelijk
wat betreft het decentraliseren
ook automatisch het monopolie en
het uitbaten van de distributie
van de energie doorbroken. Om
die reden moet dan ook het hele
economisch stelsel voor een
belangrijk deel decentraliseren:
de energiewinning is dan immers
met de enkele aanschaf van een
directe transformator geregeld
en alle elektriciteits- en
gasrekeningen komen dan te
vervallen als de eigen generator
voordeliger is dan de centrale
voorziening. Zo zal er dan een
liberalisatie van de economische
macht plaatsvinden die meer
bepaald wordt door voedsel,
water en onderdak, zaken die
altijd al meer decentraal
geregeld waren, en hierin worden
de mensen dan minder afhankelijk
van en bepaald door wat voorheen
de centraal geleide, economisch
gemotiveerde, collectieve
handelingen in de sfeer van de
diplomatie, de financiële elites
en de krijgskunst waren.
Met het oplossen
van het energieprobleem is het
klimaatprobleem, het
waterprobleem en het
voedselprobleem van de wereld
natuurlijk nog niet meteen
opgelost, maar ongetwijfeld zal
het oplossen van het
energieprobleem ook zijn
gevolgen hebben voor de overige
problemen; iets wat nu nog niet
geheel kan worden overzien. Wat
betreft de herverdeling van de
politieke en economische macht
biedt het nieuwe paradigma een
concept-ontwerp voor een
uiteindelijke wereldorde,
waarbij steeds in gedachten moet
worden gehouden dat het nieuwe
denken dan dichter bij de natuur
staat, dat ze er directer mee is
verbonden. Daarmee verschuift
dan het machtsevenwicht van de
structuur van de pragmatische,
reductionistische cultuur naar
de orde van de genetische, door
de natuur geconditioneerde mens
die het belang van zijn
zelfbehoud herkent in dat van de
hele menselijke soort alsmede in
het belang van alle andere
levensvormen op en van buiten de
aarde. De tijdorde vormt
allereerst biologisch een
genetisch programma. De genen
vormen de neerslag van de
conditioneringen van het levende
wezen in zijn evolutie, en dat
geldt ook voor de secundaire
culturele
celmembraamschakelingen, de z.g.
sensitiseringen, die een
individu of een subcultuur met
zijn genen kan hebben. De genen
vormen de blauwdruk, het
bouwplan van de materiële
manifestatie van onze soort en
de cultuur moet, rationeel
gesproken, niet in conflict
verkeren met die macht van de
primair natuurlijke orde van de
materie, de ruimte en de tijd.
We mogen met de cultuur niet
nogmaals zo rampzalig
vervreemden van de natuurlijke
orde van onze eigen planeet als
we in de twintigste eeuw deden.
Met de herziening van het meer
op de relatieve ether begrepen
tijdbegrip, komt de cultuur meer
op één lijn te liggen, raakt ze
meer gelijkgericht, met de orde
van de natuur. Er zal dan met de
economische implementatie, met
de bekrachtiging van het
burgerlijk gedrag op dit punt,
minder stress en frictie met de
natuur zijn en zo zal er dan een
beter (collectief~) geweten in
relatie tot de natuur zijn
enerzijds en met elkaars
individuele natuur en cultuur
anderzijds. Hierdoor is de kans
op ons overleven op de planeet
met een beter collectief bewust,
ecologisch beleid ook veel
beter.
4) Tenslotte
is
er
de religieuze kwestie.
Religie vormt min of meer de
oude leerschool van de
illusievrijheid in samenhang met
de ether waarmee de wetenschap
dan de nieuwe leerschool om
illusies te bestrijden met de
relativiteit ervan vormt. De
wetenschap is, op ego gebaseerd,
geneigd te verbrokkelen in
strijdige kampen, waarbij dan
weer de natuurwetenschappen de
sociale wetenschappen en dan
weer de geesteswetenschappen de
natuurwetenschappen ongeldig
verklaren en afwijzen. Maar de
wetenschap is nu eenmaal meer
dan enkel meetkunde en bouwkunde
of een gebed en een
therpeutische sessie. De
filognosie kent naar het indiaas
voorbeeld van de z,g, darshanas zes fundamentele
zienswijzen met de daarbij
behorende vormen van logica en intelligentie. Niet alleen
filosofie en methodologie vormen
een absolute voorwaarde voor een
geslaagde natuurwetenschap, ook
de sociale, culturele, mens- en
gedragswetenschappen vormen een
onvermijdelijk gevolg als een
wetenschappelijk paradigma moet
worden overgebracht in een
systeem van scholing en er een
goed stelsel van beloningen moet
zijn om gewenst en aangepast
(lokaal, decentraal) ethisch en
ecologisch positief gedrag te
belonen. De dualiteit tussen
leraar en leerling, maar ook
tussen burger en de politiek is
iets wat politiek en bestuurlijk
onvermijdelijk is en zo kan dus
de analytische en spirituele
zelfrealisatiekant van de
menselijke werkelijkheid niet
buiten een syncretische,
alomvattende wetenschap worden
gesloten. En in niet mindere
mate geldt dit voor de theologie
en de politicologie. Het ego
waar we politiek steeds mee te
kampen hebben wordt nog steeds
het best behandeld in de
verschillende religies die er
nog altijd in slagen de hele
diversiteit van complete
samenlevingen onder één
personalistische noemer te
plaatsen. Het gevaar van het
vervalsen van dat ego in
fundamentalistisch fanatisme
moet herkend worden als
berustend op een
filosofisch/paradigmatisch
gebrek. Het idee van het nieuwe
paradigma is dat een beter
relativerend respect voor het
onpersoonlijke van de tijd en de
ether automatisch een beter
gedifferentieerd respect voor de
individualiteit van personen
mogelijk maakt, ofwel: beter
met de cijfers is men beter
met de persoon. Daarbij
kunnen we dan goed zijn met een
slecht systeem, slecht zijn met
een goed systeem, slecht zijn
met een slecht systeem en goed
zijn met een goed systeem. De
moraal van een zekere
geestelijke samenhang, de
attitude, en het gedrag van
mensen in een goed werkende
samenleving als één geheel, als
één systeem kan op deze
verschillende manieren samengaan
zonder dat er direct een causaal
verband te vinden is. Moeten we
dan kiezen goed te zijn met een
slecht systeem? De rebel en de
terrorist zeggen dat dat verraad
is, ook al ben je dan een brave,
maar square burger. Dit hielden
we al heel lang vol en het
probleem daarmee is dat de
synergie, de ruimte die we voor
de positieve waarden van een
sociaal leven hebben, ermee
verliezen. Het systeem put onze
goedheid uit. Het is niet vol te
houden. Moeten we dan slecht
zijn met een goed systeem?
Slecht met ons nieuwe systeem in
de gedachte vuur met vuur en
kwaad met kwaad te bestrijden?
Dat is hypocrisie, en heel
destructieve vorm van
verraderlijkheid, een verkeerde
vorm van reclame zeg maar. Dan
heet je geen held, maar een
crimineel of terrorist die moet
worden gestraft of gedood.
Moeten we slecht zijn met een
slecht systeem? De pacifist zegt
dat dat een oorlog inhoudt die
niet alleen het eigenlijke
systeem in stand kan doen houden
en bevestigen zoals dat gaat met
ons vage idealisme met de
standaardtijd die met de tweede
wereldoorlog werd ingesteld,
maar daardoor verliezen mensen
ook nog eens hun geloof en
vertrouwen in de natuurlijke,
goddelijke orde der
menselijkheid en de rede. Is er
een grotere ramp denkbaar?
Moeten we dus dan goed zijn met
een goed systeem? Het is
duidelijk dat voor dit laatste
moet worden gekozen, ook al is
dat voor het eerste schaap dat
over de dam moet komen een zware
Jezus-klus. Je moet heilig zijn
of een martelaar in je naleven
van de gedragsregels en het op
je nemen van de last van een
bestaande disfunctionerende
samenleving en het consequent
een goed systeem voorstaan,
anders zijn we dus verraders,
hypocrieten, criminelen en
oorlogszuchtigen. Dat wat
betreft de attitude, onze
geesteshouding, de
anti-materiële spirituele kant
van de HDT. Door dat qua gedrag
ook gezamenlijk werkelijk
technisch door te ontwikkelen en
door zo de hiërarchische
structuur van onze materiële
werkelijkheid met de HDT in de
praktijk te brengen zijn we
volledig, zijn we echt van God.
Zonder dat respect voor de
praktische kant van het
behartigen van het onderscheid
tussen directe en indirecte
duurzame energiewinning, zijn we
slechts goed met een slecht
systeem, en dat is zoenen met de
duivel.
Beter
differentiërend is er een beter
respect voor het individuele
belang en dus ook een betere
algemene gezondheid. Het
persoonlijke en het onpersoonlijke
vormt een fundamentele dualiteit
van categorie en element, die niet
zomaar buiten werking kan worden
gesteld met een wetenschappelijke
of politieke voorkeursbehandeling.
Het achtervolgt een ieder die zich
er schuldig aan maakt het een
boven het ander te plaatsen. Het
ego, de klasse, de kaste, en dus
ook de cultuur van de persoon, de
religie dus, moet tegemoet worden
getreden als èn een probleem èn
als een oplossing. Het probleem is
steeds de valse eenmaking en het
valse ego dat anderen buitensluit,
de oplossing is met het nieuwe
paradigma steeds de differentiatie
en integratie in een cultureel
overkoepelende visie die niet
repressief en exclusief is maar
progressief en inclusief. Zo ziet
men, naar de noodzaak van deze
werkelijkheid, historisch
syncretische benaderingen ontstaan
in de theologie waarin ieder van
de religies hun eigen plaats
krijgen in een historische
context: voor ieder
tijdgewricht en voor iedere natie
is er een opwaardering van de
relatie van de mensheid met de
godsidee die resulteert in een
(individuele/subculturele)
cultuuromslag: zo ging men
historisch van de val van de
vedische cultuur over naar het
Judaïsme, van de val van de
mesapotamische en shamanistsiche,
chinese en zuid-amerikaanse en
egyptische afgodencultuur naar de
filosofie van Socrates en Boeddha,
en van de val van het
onpersoonlijke filosofische en
lege van het Boeddhisme samen met
de Ongeziene en het misbruikte
Jaweh-begrip over tot de oplossing
gevonden in de onzelfzuchtige
heldenmoed van Christus. En zo
verder gaat het dan van het verval
van de macht van het Christendom
in de duisternis der Middeleeuwen
bij gebrek aan een natuurlijke
tijdorde met de ether naar de
opkomst van de Islam die de tijd
van de zon en de maan wel zuiver
wil zien in overeenstemming met de
ether. Vervolgens komt de Islam
ten val door haar onbeheerste
hartstocht en eenzijdige
fundamentalisme, zodat we de
Renaissance en Verlichting kunnen
zien verschijnen die uitmondde in
het moderne relativisme dat nu dan
ook weer ten val komt met de
zoveelste vervreemding in relatie
tot de oerkracht van de ether in
de vorm van de moderne standaardtijd. Met de oude
energiepolitiek en het standaard
tijdsysteem dat erbij hoort waren
we vervreemd in ontkenning van die
ether waar we niet buiten kunnen
met de noodzaak van een nieuwe
energiepolitiek. Religieuze
integratie van de wereldorde houdt
dus niet in het stichten van een
kerk of tempel van aanbidding,
maar bestaat uit het op zijn
plaats zetten van iedere
religieuze subcultuur zonder dat
er ook maar één het idee kan
krijgen over de wereld te heersen.
En zo hebben we dan een
geschiedenisboek dat dit alles
beschrijft met een vorm van
onderwijs voor volwassenen en
kinderen waarin ieder naar eigen
behoefte zijn kennis en
saamhorigheid bijspijkert met dat
hoofdstuk uit de algemene gods-
filosofie- en
wetenschapsgeschiedenis waarin men
zich dan verder moet bekwamen als
was het een bijscholingscursus in
sociaal-historische integratie.
-

|