Natuurlijk
kan iedere historicus en subcultuur deze schets
van onze morele evolutie in twijfel trekken, de
schrijver staat open voor verdere discussie en
argumentering. Maar hoe dan ook is hier een
begin van begrip voor wat we hebben opgebouwd
wat betreft het recht van spreken. Het morele
gezag dat politici zegt hoe ze de onwetendheid
van de massa's tegenwicht moeten bieden heeft
door de eeuwen heen deze thema's van de
behartiging van de belangen van non-illusie,
liefde, beloning en sociale kwaliteit ontwikkeld
met een verschillend effect. Om te beginnen:
vanuit het gezichtspunt van de evolutie is het
van belang om deze tijd-lijn te hebben (hoe
discutabel dan ook). Van de ontwikkeling in het
verleden kan men de toekomst voorspellen en
zodoende komen tot een beschrijvende leidraad
(hoewel altijd onderhevig aan een paradigma van
cultuurbeheersing), die een antwoord kan bieden
op onze eerste vraag. Deze beschrijvende
leidraad is geprojecteerd op De Orde van de
Tijd, het internet participatie-platform dat een
paradigma van alternatief tijdbeheer voorstelt
als een aanvulling op het bestaande beheer van
de standaardtijd. Hun opzet
van waarden
beschrijft de bovenstaande geschiedenis in het
kort als een op aarde nederdalen van de
goddelijke waarden (de vedische) die via
disciplinaire principes (de roerigheid der
geschiedenis), zich schikkend naar de sociale
werkelijkheid (de democratische opzet van
waarden), uiteindelijk de praktische uitkomst
bieden van menselijke deugden (filognosie of
liefde voor de kennis).
Zonder een
uitvoerige argumentatie over de hier en daar
geforceerde indeling in vier categorieën
van systemen die er ten minste tien claimen
(zoals de christelijke tien geboden), kunnen
belangrijke inzichten worden ontleend aan dit
schema.
1.1.1
Van deze
tijdlijn kan men betreffende de
wereldkulturen een geleidelijk proces van
het komen tot een wereldorde aflezen. Eerst is
het beperkt tot India, dan verspreid het zich
tot China, dan komt het in het Midden Oosten en
Griekenland, arriveert het in het grotere
Europa, dan bedekt het de gehele westelijke
hemisfeer en vervolgens dekt het de hele wereld
in een economisch rechtvaardige, democratisch
bevrijde en multi-gelovige tolerante cultuur van
houden van de kennis (informatiecultuur). Dit
laatste begrip van filognosie bevindt zich in
een ontwikkelingsproces in het hart van de
informatiecultuur met de zo geheten digitale
revolutie van het nieuwe medium internet,
vanwege waarvan deze beschrijving
zelfbevestigend en voorlopig is. Maar het
beantwoordt aan de eis van voorspelling en
beschrijving zoals geformuleerd.
1.1.2
Het thema van
non-illusie dat alle waardensystemen
gemeenschappelijk hebben als de eerste
doelstelling schijnt een onduidelijke
geschiedenis te hebben: in ieder tijdperk is
waarheid de algemene waarde in het vechten tegen
de rampen van misvatting en verbijstering die de
mensheid zouden straffen voor haar kultuur van
illusie, leugens en hypocrisie. Om dit gevaar af
te wenden moet de illusie tegenwicht worden
geboden met waarheid: maar hoe het te
definiëren en garanderen? Op de eerste
plaats zou het worden gedaan met rituelen (om de
inbeelding van de macht weg te nemen). Dit kan
worden waargenomen vanaf de vroegste kulturen
tot op de dag van vandaag, maar was nadat
Azië het kultiveerde nooit meer helemaal de
overtuiging. De griekse filosofen predikten de
nuchtere zin voor de waarheid die later
culmineerde in de wetenschappen van de
westelijke hemisfeer die hun waarheid bewezen
door middel van de praktijk van instrumentele
toepassing, aldus dominant wordend (niet in het
minst door oorlogs-technologieën). De
cartesiaanse filosofie riep om het principe van
de twijfel in dienst van de waarheid en de ziel
dat nu beoefend in de nieuwe fysica wordt
gepraktizeerd in achting voor De Algemene
Relativiteitstheorie. Dit zou uiteindelijk de
democratische ontnuchterende matiging veilig
stellen in achting voor ieder zijn belang door
economisch realistische beperkingen in de
uitgaven en zelfs schulden van de staat zelf in
het spenderen ter wille van rechtgeaarde en
zinnige verdelingen. Het moderne begrip van
eerlijkheid welk kan worden waargenomen in de
welhaast onbeperkte vrijheid van de media (met
name de televisie) als een niet-repressieve
benadering van de menselijke zwakheid, was na de
christelijke liefde voor de waarheid en de
mohammedaanse nadruk op bekentenis de essentie
van het realiseren van een nieuwe zin voor de
waarheid van herboren zijn in dienst aan een
wereldorde. Illusie wordt geleidelijk overwonnen
met behulp van een collectieve bekentenis in de
kultuur van de media die het overnam van de
beslotenheid van de religie. Eerlijkheid zou de
natuurlijke deugd zijn die resulteert uit deze
groei van het respect voor de nuchtere waarheid,
of die nu gewenst is of niet.
1.1.3
Het tweede thema van
bevrijding is dat van de liefde. Alleen
liefde zou de duivel der vernietiging buiten de
deur houden, maar hoe moet dat worden begrepen,
gepredikt en in praktijk gebracht? Vanaf de
vroegste tijden is de liefde anders benoemd. In
de Veda zou deze liefde de loyaliteit en
zuiverheid van lichaam en geest zijn die men
moet bereiken door religieuze oefening. De
zuiverheid vergetend verraadt de tijdlijn een
geleidelijke nederdaling op aarde van de liefde.
Misschien niet zo zuiver is trouw aan het
(aziatisch) begrip van de staat, het huwelijk en
de familie vandaag de dag nog steeds het
dominante thema van de liefde. Bij de Grieken
werd het moed genoemd (standvastigheid in Rome),
de moed om een standpunt in te nemen, consequent
te zijn in de praktijk ervan en aldus de Godin
der genade en liefde te bereiken. De
christelijkheid die eveneens loyaliteit
benadrukte moest de Mohammedaan onder ogen zien
die van liefde ook een systeem van schenkingen
ter wille van God maakte. Hoewel later na de
middeleeuwen het was begrepen als een functie
van juiste verdelingen
(cartesiaans/wetenschappelijk) en een
democratische voorbehoeding van de voor de
economische rechtvaardigheid noodzakelijke
matigingen, draaide het er uiteindelijk op uit
dat de harde kern van de liefde niets meer en
minder is dan een systeem van belastingen dat de
liefde van de staat voor de individuele
behoeftige persoon (stichting, kultuur,
onderneming) zou formaliseren. Verarmde landen
zouden de economische waarde ervan missend. er
meer problemen mee hebben om maatschappelijke en
sociale liefde hoog te houden. Later in de
tweede helft van de twintigste eeuw werd deze
liefde herkent als zijnde misschien te
materialistisch en werd ze onderworpen aan de
revoluties van de politiek (de culturele
revolutie), de wetenschap (de kuhniaans
paradigmatische revolutie) en het natuurlijke
leven (de sexuele/psychedelische revolutie).
Liefde werd sedertdien gewoon bij de naam
genoemd en behoefde alleen loyaliteit
(inter-gelovig of vergelijkend) aan de eigen
aard (filognosie...' je eigen interaktieve
website') om echt te zijn. Heden ten dage kan
het bevrijdende van de liefde worden gevonden in
de capaciteit, de gelegenheid en de wil om het
eigen materiële belang op te offeren op het
apollinisch altaar, de computer, voor het heil
van de interaktieve wereldorde (het internet):
een ieder mag zijn eigen liefde & revolutie
hebben, sexueel of niet, bewust ondersteund door
de individuele staat, religie danwel subkultuur
of niet.
1.1.4
De
derde doelstelling die wordt gevonden met de
kulturen der bevrijding ligt in het bereiken van
een systeem dat of opvatting die belonend
genoeg zou zijn om een uitvoerbaar idee van een
praktijk of samenleving te hebben. Er is een
scala van gepraktizeerde waarden in de diverse
systemen en het is zonder verdere
systematisering onmogelijk om een uitweg te
vinden uit deze kulturele verwarring over wat de
juiste bekrachtiging van een wereldkultuur zou
zijn. Van de gedragswetenschappen mogen we
stellen dat er de positieve en negatieve sanctie
is die men niet moet verwarren met de straf en
beloning. Zowel straf als beloning zijn
positieve sancties en alle culturele vertoog
erover bloeit op het eerste onderscheid van
sanctioneren: moeten we, om te beginnen, 'de
onwetenden' negeren of niet? Negeren zou
inhouden dat de kultuur het risico loopt zelf
onwetend te zijn.: onwetendheid is een gebrek
aan kontrole en kan niet het doel zijn van de
kultuur. Dus is er altijd religieuze
bekeringsdrift, politieke oorlog, en onenigheid
of paradigmatische strijd wetenschappelijk. Laat
ons nu de geschiedenis van deze predikende
oorlogvoering en kennisvolle onenigheid (in het
engelse woorden boek is fugue omschreven als een
verstoorde mentale toestand) nader in overweging
nemen. Op het eerste gezicht lijkt het dat
soberheid de doelstelling van de praktijken van
de liefde terwille van de non-illusie is. Eens
was sober zijn een beloning: men bereikt de
serieuze en formele geestesstaat, vindt er
kontrole in en geniet het geluk van de
rechtgeaarden. Dit is het oorspronkelijke
vedische uitgangspunt. Overeenkomstig die
kultuur zijn we het sedertdien niets dan kwijt
aan het raken. Voor de aziatische Boeddhist en
aanverwante filosofieën, wordt de beloning
gevonden in het inzicht: de contemplatie of
zelfs beter, het verlichtte vermogen tot
contemplatie is de doelstelling van de rituele
trouw van de mediterende. Het hoefde niets
serieus meer te zijn, een lachende Boeddha is
ook wel goed. Naast die lol van de contemplatie
als beloning realiseerden de griekse filosofen
zich dat matiging de ultieme praktijk van de
beloning was. Een gebrek aan beheersing zou
altijd in straf eindigen. Dus is beloning
geassocieerd met matiging. Later met de
arabische benadering vond men dit zelfs in
vasten: men kan alleen van voedsel - de ultieme
beloning - genieten als men het vasten ervan
breekt. En gelijk hebben ze, de moderne medische
wetenschap zegt dat men op die manier zelfs
langer leeft. De christelijkheid echter daarvoor
vestigde de doelstelling van de liefde voor de
non-illusie als billijkheid in rede en misschien
ook in wetgeving om een ieder zijn liefdadige
deel van de gemeenschappelijke welvaart te
geven. Later besefte de wetenschap vanuit het
cartesiaanse gezichtspunt dat je instellen op
een behoorlijke orde het onvermijdelijk gevolg
zou zijn van het het hebben van juiste
indelingen voor het probleem van de waarheid.
Aldus kwamen we van christelijke billijkheid tot
het paradigma van de staat bekend als de
rechtgeaarde regulatie van lonen stap voor stap
gevestigd middels democratie, economische
theorie en multiculturele menselijke
gerechtigheid. De vraag is of we werkelijk delen
bereikt hebben met deze praktijken. Ieder
paradigma zou een systeem van beloning
formuleren en een ieder negeren, verdringen,
(sociaal) uithongeren en vernederen die niet in
dienst van het systeem is (oorspronkelijk
christelijk verbrand op de brandstapel wegens
ketterij en hekserij). Daarom wordt de missie
der filognosie gevonden in de realisatie dat
eerlijk te zijn met en trouw te zijn aan ieder
lid van de samenleving en dus aan en met de
samenleving in zijn geheel, betekent dat men
deelt, niet alleen in de plicht van het brengen
van offers, maar ook in wederzijds kultureel en
economisch respekt. Waarom zou enige niet in
dienst zijnde vrijwillig werkende voor zijn
eigen kultuur in zijn private
niet-commerciële ondernemende opofferingen
minder respect verdienen dan iedere verplichtte
werknemer in zijn afhankelijke commerciële
wedijver en carrière ambities? Wie zijn
wij om te oordelen over ieders eigen
betrokkenheid bij de samenleving en te zeggen
dat deze aktie alle beloning verdient en die
aktie hoegenaamd geen enkele. Het is precies
deze oppositie van de monetaire
tewerkgesteldheids-beloningen filosofie van
macht en kontrole die zijn eigen onwetendheid op
de slagvelden van redeloze oorlogen tegenkomt.
Als het UCK/Kosovo bestuur erin geslaagd zou
zijn effectief een beroep te doen op
ondersteuning door de servische staat en ze ook
gekregen zou hebben, dan was de noodzaak van
terroristische aktie en de eruit resulterende
oorlog er nooit geweest. Met het geld na
één maand verspild in deze oorlog
zou heel Kosovo ten minste tien jaar een
perfekte economische ondersteuning hebben gehad.
Aldus bezien staat de filosofie van belonen dus
centraal bij de handhaving van de vrede en de
welvaart. Als de praktijk van het delen in
wederzijds (economisch/cultureel) respekt er zou
zijn geweest, had de oorlog niet kunnen bestaan.
De fundamentele fout in het denken en de
filosofie wordt gevonden in deze filosofie van
belonen: zo gauw de vrede zich niet realiseert
dat ze gebaseerd is op de eenvoudige beloning
van aanpassing in rechtgeaardheid (van ' de
offers aan de voeten van de Godheid') komt het
systeem ten val door zijn misvattingen over
macht en kontrole die niet aanvaardbaar zijn
voor de andere kultuur. Men zou om het zo te
zeggen wettelijk verplicht moeten zijn een
medaille of zoiets uit te reiken voor het feit
dat men niet een crimineel of anderszins ziek
is.
1.1.5
De kleine
geschiedenis van de waarden der bevrijding vindt
zijn voleinding in de worsteling voor
sociale
kwaliteit..
Wat precies zijn de waarden die ons de
samenleving geven waar we trots op kunnen zijn
in plaats van ons te moeten schamen voor oorlog
in falende systemen van het belonen van de
liefde voor de non-illusie. Deze sociale
kwaliteit is de absoluut noodzakelijke uitkomst
waar we op uitzijn. De uitkomst zou
oorspronkelijk die van het mededogen zijn. Dit
was reeds het geval in de vedische kultuur met
haar dana, liefdadigheid en ahimsa,
geweldloosheid.. Het betekende en betekent nog
steeds respekt voor alle levende wezens. Het zou
de (aziatische) harmonie en de (platonische)
gerechtigheid van een (christelijke) empatische
medemens zijn. Dit werd zo begrepen in de oude
tijd en is vandaag de dag nog steeds van
toepassing. Alleen dit resultaat van het leven
naar de regels zou de moeite van de opofferingen
waard zijn. In het Midden-Oosten realiseerde men
zich dat dit alleen kon worden bereikt door
middel van de bedevaart: de bewuste praktische
zoektocht naar je oorspronkelijke zuiverheid en
onschuld. De genade van God moest aktief gezocht
worden, zonder dat zou de zonde niet genoeg
gedomineerd worden om van ondergeschikt belang
te zijn. Dit thema wordt tegenwoordig gevonden
in de spirituele zoeker die reizend, zappend en
surfend de kulturen onderzoekt op alternatieven
van zelfrealisatie. Wetenschappelijk werd vanuit
de cartesiaanse methode ingezien dat het de
ultieme praktijk van 'genade' zou zijn zoveel
mogelijk elementen in de orde van je waarheid in
te corporeren. Een dergelijk holisme was niet
een eenvoudig religieuze (kath-holos, het geheel
betreffende) uitvinding maar was ook een
handelen op het profane vlak met al zijn
verborgen goddelijkheid en 'Orde van God'. De
democratie realiseerde zich dat allen moesten
worden gecompenseerd voor de repressie van het
systeem dat zich tegen hen keerde: we zijn
moreel verplicht minderheden te helpen en bomen,
vluchtelingen, drop-outs, gestrande walvissen,
guru's en zieke zeehonden te beschermen.
Uiteindelijk realiseerde het sociale genius dit
in de vorm van een sociale uitkering of basis
inkomenszekerheid en aanpassingsbeloning voor
het helpen van alle meelijwekkende schepselen
met een behoefte aan christelijk mededogen. Als
een kind van de zestiger jaren realiseert de
volwassenheid van de negentiger jaren het
verborgen thema van deze predikende
slachtoffers: doe me geen kwaad, doe het goede.
Wees geweldloos, bescherm de dieren, wordt een
vegetariër, bescherm de zeeën, bossen
en amerikaanse Indianen en vecht tegen
verontreiniging (van welke aard dan ook),
nucleair afval en alles wat slecht is voor het
van leven krioelende milieu. Geweldloosheid is
de missie van de inter-gelovige tolerantie en
aktie. Het basis idee in dezen is ten slotte:
zijn we bereid alles en iedereen de hulp te
bieden die er nodig is? Vanwege onze
paradigmatische, menselijk egotistische en
dierlijke zwakheden en beperkingen is het
moeilijk er meer dan een paar te helpen
overeenkomstig onze filosofieën van
beloning. De uitdaging is te komen tot een orde
en filognosie die zich zou inrichten voor een
volledige wereldorde en voor de behoeften van
ieder levend wezen. En welk paradigma zou dat
zijn? Zeker is dat van deze laatste waarde van
sociale kwaliteit moet worden geconcludeerd dat
het een één of andere holistische
optie van kultuur moet zijn in respekt voor de
vrijheid van keuze van een ieder waarvan hierna
verder de
overwegingen.
1.1.6
Na de
realisatie van de sociale kwaliteiten bereikt
met onze kulturen van bevrijding luidt de vraag:
'wat was hun effect?'.
Het bereiken van een zekere kwaliteit kan zelfs
het tegenovergestelde effect hebben. Het duits
fascisme vechtend voor een 'arische' beschaving
bereikte de totale zelfvernietiging niet de
eenvoudige regel inziende dat men anderen niet
moet aandoen wat men zich zelf niet wenst. Dit
is dus de proef op de som: werkte onze theorie,
onze kultuur werkelijk? Realiseerde de vedische
kultuur haar macht over de wereld zoals ze dat
al duizenden jaren heeft geprobeerd? Het
antwoord is nee. Ze brachten zelfdiscipline tot
stand in een dergelijke mate dat het heden ten
dage in India belangrijker lijkt elkaar met rust
te laten (in het aanbidden van de Godheid) dan
elkaar te helpen. Hoewel een zooitje en bij
tijden in hoge nood is ten minste de vrede
bewaard. Moeder India met haar vedische
filosofie is de oorspronkelijke geestelijk
leraar (denk eraan dat zelfs de Bijbel in
Genesis melding maakt van " de zonen van God"
die van over de bergen kwamen), maar de praktijk
van een wereldorde moet komen van de diverse
nationale plichtsbetrachtingen. Als de discipel
de leraar niet van dienst is, is de lering
mislukt. Dus wat hebben we tot dusverre bereikt
in respekt voor de uiteindelijke discipline?
Kort gezegd: de aziatische harmonie bouwde een
niet te corrumperen gemeenschapszin op die in
hoofdzaak politiek expliciet gehandhaafd is door
China hoewel ten koste van de vrijheid van
meningsuiting. En dit was al zo voordat de
Christenen hun grieks filosofische ideeën
van het juiste offeren in overeenstemming met de
gereformeerde romeinse keizer, de Paus,
predikten. Dit goede van de maatschappelijke wil
culmineerde in de wereldwijde kultuur van vrede
genaamd de Islam, die weliswaar het juiste idee
van de Jihad zo nu en dan kon missen, maar
niettemin de intelligentie handhaafde van het
christelijke lam van opoffering (zolang als de
Christenen het ondersteunen). Dat deze vrede als
resultaat op zichzelf niet genoeg zou zijn werd
reeds ingezien in de 17e eeuw waarin de (ook
vedische) reformatie leidde tot de verlichting
van de westerse geest met alle wetenschappelijke
en artistieke vruchten van boete en toewijding.
De Paus vreesde voor het ergste, bevocht het,
zichzelf reformerend, met alle geweld en bleek
terecht bezorgd te zijn in het zicht van
revoluties die grote onrust creëerden in de
wereld: we verloren de beheersing en bevonden
ons in zelfvernietiging met de achteraf toch
niet zo verlichtende prestatie van de moderne
wetenschap. Heilige wonderen van de wetenschap
zoals het buskruit, klokken en meer ontwikkelde
toepassingen waren niet makkelijk te beheersen
door mensen die zich niet werkelijk realiseerden
welke discipline nou eigenlijk nodig zou zijn
voor de handhaving en het bereiken van een
beschaving ermee. Het had iets te maken met het
vedische arische en de swastika, maar
één of ander raciaal ego was er
niet mee overwonnen. Eerst moest enig koloniaal
karma van valse overheersing zich tegen zichzelf
keren. Op één of andere manier
overleefde de wereld deze bittere aanvang der
verlichting en zelfrealisatie die later zoet zou
uitpakken zoals een vers in de Bhagavad Gita
(18:37) dat stelt. Bevrijding zou vroeg of laat
worden gevonden in een gemeenschappelijke orde,
tegenwoordig bekend als de internationale
overeenkomst van gerechtigheid, mensenrechten en
economische intelligentie die een gooi doet naar
een behoorlijke wereldorde (met zijn
sanctionerende en staat-gewijze 'geestelijke
gezondheidszorg'). Deze (inter-gelovige)
'eenheid' zou geen valse oppositie creëren
tussen Oost en West, gemeenschaps- en kapitale
belangen en soortgelijke complementen van
wijsheid. Niettemin bestaat de klacht van het
verval: meer misdaad, meer drugs, meer politieke
onenigheid en wat het nieuws ons ook maar ter
verdere overweging voorschotelt. Het effect dat
er nog aan ontbreekt is het herstel van de
sociale kontrole, het begrip dat het meest
vervuild is door alle onrijpe kulturele pogingen
tot individuele overheersing. Nog steeds is
echter de sociale kontrole, gehandhaafd door de
aziatische optie in feite binnen families,
(Islamitische) staatsmonopolies en (ook
christelijke) religieuze orden de cohesie waar
we in feite op leven. Tot welke orde de wereld
ook moge komen, sociale kontrole in respekt voor
de andere effecten van de voorgaande kulturen,
moet het uiteindelijke effect zijn, daar zonder
een sociale definitie geen paradigma van
(wereld-) kultuur kan bestaan.
1.2)
Conclusie.
Wat betreft het recht van spreken mag dit
hoofdstuk hebben aangetoond dat alle kulturen
hun eigen inbreng hebben en daarbij behorende
recht van spreken als het gaat om een opdoemende
wereldkultuur. Deze laatste aangelegenheid is
iets waar men in moet geloven om het te kunnen
waarnemen (zoals met het gaia-brein van de
mensheid: internet). Als men de kleine
geschiedenis van de waarden der bevrijding
overziet, die niet waardenvrij is maar gevoed
wordt door een ideaal van praktische orde, kan
men makkelijk verklaren dat de religieuze God en
de kultuur dood zijn en ons worden betekenisloos
is voorbestemd uit te lopen op een chaos van
natuurlijke (informatie-)entropie. De rest van
dit manifest zal gewijd zijn aan het zoeken van
antwoorden op de elementaire vragen die
voortkomen uit deze 'zelf'-geconstrueerde
logische overtuiging van de waarden in evolutie
zoals hierboven in 1.1 gesteld.
HOOFDSTUK
2
2
Welke literatuur zou moeten worden
gelezen?
Bij de
inleiding zagen we dat als het doel de vrede is,
de intellectueel herkend wordt als de practicus,
terwijl de pratende politici in geval van een
oorlog blijkbaar niet genoeg theoretiseerden om
te kunnen komen tot de juiste relativiteit van
complementeren in vrede. Via dat argument kwamen
we tot het inzicht dat te praten misschien
minder van belang is dan te luisteren en dat te
lezen misschien meer van belang is dan te
schrijven. Dit stuk schrijven b.v. is minder van
belang dan de boeken die werden en ondertussen
worden gelezen. De boeken zijn de
vredesverdragen waar we de autoriteit aan
ontlenen om te spreken en de wet te regelen. Als
we de vrede verliezen moeten we terug naar de
studeerkamer en na verdere studie een andere
conclusie op schrift stellen. Welke boeken
moeten dus op de eerste plaats worden
gerespecteerd? Klaarblijkelijk is het wetboek
waar we mee werken meer een gevolg van studie
dan de wortel ervan.
Wat betreft de
wortel van de studie zagen we in onze
historische schets dat we te maken hebben met de
vedische kultuur als de epistemologische basis
van de moderne kultuur. In die kultuur zouden we
de grootste wijsheid moeten vinden; wijsheid
heeft betrekking op de grootste ervaring met de
verschillende praktijken van waarheid (de visie
op de werkelijkheid): het definieert het begrip
kennis als het begrijpen verworven door
ervaring. Ware kennis houdt de filosoof staande
is de kennis die de tand des tijds doorstaat.
Als de vorm verandert en de kennis blijft
hetzelfde, dan concluderen de wijzen dat het
ware kennis moet zijn. Dus uit welk boek citeren
we deze wijsheid? Vedisch gezien is deze vraag
onzinnig daar de oorspronkelijke Veda (Sanskriet
voor ware kennis) helemaal geen boek is maar de
kennis overgedragen in geestelijke erfopvolging
van leraar op leerling in mondelinge overdracht
(sruti&smrti). Daarom zou de vraag 'wie is
je geestelijk leraar' relevanter zijn. Maar de
tijden zijn veranderd en leraren en scholen
voeren strijd en zijn het dermate oneens dat
geen zinnige persoon heden ten dage zich eraan
waagt om de één boven de ander te
plaatsen. Inderdaad zijn er leraren en ze zijn
belangrijk, maar ze mogen niet meer spreken
zonder te refereren aan basisliteratuur. In dit
artikel is de Bhagavad Gita geciteerd. Maar
maakt dat dit boek de fundamentele referentie
als het aankomt op vedische geschriften? Het
antwoord is nee. De vedische kultuur kan in
feite niet worden vastgepind op dit of dat boek
aangezien ze nog steeds berust op dit catch
22-systeem van geestelijke erfopvolging:
ontvluchten door aan het boek te refereren houdt
weerlegging van de leraar in, en ontsnappen door
aan de leraar te refereren is een weerlegging
van het boek. Iedere leraar predikt in feite
zijn eigen brouwsel van de verschillende bronnen
en de leerling wordt vriendelijk verzocht tot
zijn eigen conclusie (vedanta), aangepast aan
zijn eigen aard, tijd en omstandigheden te
komen. De feitelijke leugen is daar tegen in te
gaan. Men zou van zelfverwerkelijking en
rijpheid moeten spreken, niet van een papegaai
van leren of een hypocrisie van gewenste
referentie.
Als
zelfrealiserende persoon refererend aan de eigen
ervaring, zijn er nog een paar problemen over
die verdere aandacht behoeven:
1) het is het
referentieprobleem:
waar ontlenen we onze zekerheid en vrijheid
aan?
2) het is het
probleem van de
vorm van
God:
moet Hij persoonlijk of onpersoonlijk worden
beschouwd?
3) het is het
probleem
van de
autoriteit
voor de volwassen persoon: hoe kan
zelfverwerkelijking hand in hand gaan met de
aanvaarding van de noodzaak van gezag van
buitenaf?
2.1
Het
referentieprobleem. Sedert het verlies van
de enkele op zich zelf staande autoriteit van
leraren, boeken en de naaste (ouders, collega's,
vrienden etc.), hebben we te maken met allen
tezamen als een trias-politica bron van
referentie. Dit is de moderne situatie: fixaties
van traditie, christelijk of vedisch of
islamitisch werden verworpen en onderworpen aan
de 'verlichting' van de moderniteit: het
argument van individuatie won terrein boven dat
van de gemeenschap met haar valse gezag. In
feite werd het een politieke oppositie in het
bestuur van de planeet aangezien verdringing van
het individuele ten koste van het collectief en
andersom in werkelijkheid niet mogelijk zou
zijn. Om wereldvrede en orde te hebben, een
wereldmunt van economie en een internationaal
wetboek, moeten we dit probleem van fixatie in
triaspolitica-achtige tegenstellingen, zo mooi
besproken in de psychoanalytische studie, nader
in overweging nemen. Individuatie als een
fixatie op de persoon, danwel op zichzelf danwel
op een 'leider' wordt van afgezien als een vorm
van egoïsme en onrijpheid en verworpen
sedert de zestiger jaren. Dominantie van de
gemeenschap wordt beschouwd als een bedreiging
van de vrijheid en als destructief gezien voor
de vooruitgang in het algemeen. Overwegen van
het intellect met al haar literaire fixaties
werd terzijde geschoven als valse droge
speculatieve boekenwijsheid vervreemd van het
echte van het leven. Waar zouden we dan onze
zekerheid aan ontlenen? We hebben, vals gezag
vrezende, de samenleving opgesplitst, alle
redelijke referentie verworpen en worden ervan
verdacht een neurotisch en schizoïde
collectief te zijn van gekken die het gevaar
lopen ieder moment de beheersing te verliezen
als een slachtoffer van oorlog en
vernietiging.
Filosofisch
ontlenen we onze zekerheid aan ware kennis:
datgene waarvan we absoluut zeker zijn dat het
waar is. Het is het eerste waar de cartesiaanse
methode van de wetenschap van uitgaat: wat is om
mee te beginnen het probleem? Zouden we alle
claims op de waarheid moeten betwijfelen als
mogelijke hysterie en als vals klagen ten
behoeve van een op voorhand getrokken conclusie?
Is niet iedere fixatie op het probleem het
probleem zelf? Is niet alle metafysica een
leugen als het aankomt op inzien wat de aard van
het probleem is waar we aan moeten werken? Als
we ons terugtrekken uit de materiële wereld
omdat dat een misère is, kunnen we dan
iets anders vinden dan de prediking van de dood
als het ons niet is toegestaan een wereld te
hebben, een hemel of een planeet na deze met
engelen, goden en wijsheid, die met een bepaalde
vorm niet ook aan verandering onderhevig is?
Sommige vedische literatuur beweert dat op de
hogere planeten het zelfde probleem wordt
aangetroffen als op de lagere: nooit sterft de
ambitie de ander te slim af te zijn, nooit zal
men zonder jaloezie en andere zwakheden zijn.
Hoe hoger men stijgt deste dieper komt men ten
val. Dus wat is de conclusie voor al dit
escapisme van de theorie? Zeker is dat we naar
zekerheid zoeken. Zeker is dat welke fixatie ook
onderhevig is aan verandering hoe heilig of hoog
in de hemel dan ook. Ook de Heer moet op de
aarde nederdalen in een andere vorm om de
goedheid zijn zin te geven. Aangezien zelfs de
meest heilige der vormen onderhevig is aan
verandering, blijft er niets anders over dan de
heiligheid en het absolute van de verandering
zelf. Zolang alles verandert kunnen we erin
berusten en er zeker van zijn dat we nog leven.
Dit maakt de materiële wereld zelfs echter
dan de meer stabiele eeuwige wereld van het ware
zelf. Het laatste zou niet zo veel veranderen en
zou derhalve meer van de dood zijn dan de echte
wereld van de levende materie. Wat de kwaliteit
van het leven ook zou zijn, hoog en stabiel of
laag en conflictueus,
verandering
is de essentie van het
leven. Dat
is de eerste conclusie die we moeten aanvaarden
als we op zoek zijn naar de juiste referentie
voor de zekerheid.
2.2
De vorm van
God.
Er is algemene
overeenstemming over het feit dat het idee van
God alleen maar zinnig is als het wordt
gerealiseerd als een of andere manifestatie van
de aard der goedheid. Het kan een goedheid van
het hart zijn, de geest, het lichaam, de natuur
of de kultuur. Wat de vorm ook moge zijn, de
goedheid is de kwaliteit van God. Dit zou de
vorm moeten zijn die geen vorm is en niet echt
zou veranderen. Maar deze these kan niet worden
gehandhaafd. De goedheid moet zo goed zijn om
voor ons tegen de duivel te vechten. Goed is
alleen goed als het kwaad kwaad doet. Ten minste
enige theorie van goed en kwaad is vereist om
ons te zeggen wie er moet worden beloond en wie
er gestraft zou moeten van de duivel te zijn.
Zoals we in het voorgaande gedeelte zagen hebben
we een geschiedenis van evoluerende waarden van
bevrijding. Er bestaat geen werkelijke fixatie
in de geschiedenis van wat de goedheid hoog zou
houden: de kwaliteit ervan ervaren we in het
leven ervan. Zolang de goedheid de goedheid
heeft zich aan te passen aan onze veranderende
overtuigingen, zijn we bereid om het aan de
beproeving van de oorlog te onderwerpen om te
ontdekken aan wiens zijde God nu werkelijk
staat. Het is een beetje een primitieve
strategie de goedheid te testen op zijn
kwaliteit van dominantie over het kwade. God zou
ook niet op de proef worden gesteld. Dus zijn we
niet echt klaar met het probleem van de vorm
door te stellen dat (gehechtheid aan) het goede
de uiteindelijke vorm is. Het kan de gewenste
ervaring en mogelijke uitkomst zijn, maar de weg
en het christelijke kruis op weg ernaar zou ook
wel eens helemaal niet zo goed kunnen voelen.
Niet alleen de schoonheid moet pijn lijden om
haar doel te bereiken.
De volgende
kandidaat van transcendentale vormen is de
praktijk der onthechting. Onthechting is vrij
van materiële hartstocht en woede en dus de
vorm van God die die we moeten beoefenen en
aanbidden. De paus zou op de troon komen te
zitten en allen zouden hem aanbidden voor zijn
onverschilligheid en onthechting ervan.
Eindelijk heeft het Romeinse Rijk zijn keizer
van God, Goedheid en Deugd: de Paus. Nu is het
probleem van de vorm van God opgelost, onze
Heilige Vader in Rome doet de rest. Maar wat
gebeurt er? Moeten we allemaal celibatair zijn?
Moeten alle gehuwde mensen uit de regering
worden geweerd omdat de gehechtheid aan vrouw en
kinderen, of het onvermogen ze te krijgen zoals
met sommige beroemde diktators, de wereld niet
kan regeren? Kunnen we leiderschap hebben van
onthechting als dat niet het juiste voorbeeld
van leven vormt en kan worden beschouwd zoals de
psychoanalyse het beschouwt, (als regressief)?
Is geestelijke vooruitgang zonder materiële
vooruitgang niet gelijk aan de sekte die
zelfmoord pleegt? Natuurlijk is het antwoord op
dit probleem te zeggen dat de Paus ons
staatshoofd niet is, maar slechts de leider van
ons denken (hierna de heilige geest te noemen).
De Kerk gescheiden van de staat, de ziel
gescheiden van het ego zou orde brengen door
indeling zoals we eerder zagen. Het kan een
aardige politieke dialektiek van wereldkulturen
geven. En daarmee hebben we nog steeds het
probleem van de vorm van God niet opgelost. Moet
het de Heer zijn? Hij zou tenminste levend zijn.
Of niet? De Romeinen en de Joden zijn er niet zo
zeker van. Hij kan maar beter onverwoestbaar
zijn. Maar wat moet dan Zijn vorm zijn? Laten we
zeggen dat we in staat zijn de gehele planeet te
vernietigen. Dan kan de Heer niet op de planeet
aanwezig zijn. Op één of andere
manier moet hij in de hemel zijn, nog steeds
zichtbaar, maar onaantastbaar voor ons gekken en
beproevers van God. Zou Hij de Zon en de Maan
moeten zijn? We hebben de juliaans/gregoriaanse
kalender op de zon gefixeerd. Dat hebben we voor
elkaar. Maar is de kalender de vorm van God of
is de Zon de vorm van God? Hoogst waarschijnlijk
geen van beide daar we reeds gezien hebben dat
verandering de eerste conclusie is. Moeten we
dan ieder jaar de kalender veranderen of zo? Of
moeten we de politieke manipulatie van de
standaardtijd in de Nieuwe Bijbel optekenen als
de heiligheid van God? Het staat in het wetboek,
dat wel, maar dat betwijfelen we systematisch in
het politieke debat. Dat is niet de wortel van
de referentie.
Het probleem
van de persoonlijke God tegenover de
onpersoonlijke God is opgelost als we de Heer
herkennen in het onpersoonlijke (voor zover Hij
dat voor Zichzelf toestaat, hetgeen vedisch niet
het probleem is). Verandering herkennen we als
een produkt van de werkelijkheid van de tijd.
Het probleem van de referentie aan de tijd is
derhalve in feite het resultaat van deze
filosofische oefening. Dusverre hebben we een
aardige conclusie: een ieder die een kalender of
een klok respekteert is niet alleen een
gehoorzame burger maar een volgroeide toegewijde
van God, of hij nu in het concept zelf gelooft
of niet. Zo lang als de filosofen en politici
het weten, kunnen ze erin berusten dat de
goedheid van God is gered, en leiding geven in
vertrouwen en geloof. De tijd overwint allen,
regeert allen en brengt allen tot vrede. God nam
de vorm van de tijd aan, Hij is zichtbaar, kan
niet worden aangetast, en is zelfs
alomtegenwoordig. Wat willen we nog meer om een
begin te maken met de wereldorde?
2.3
Het probleem van de autoriteit.
Nu we weten
wat de vorm van God zou moeten zijn, dat is de
vorm van de Tijd (met een hoofdletter T), is er
één probleem over: dat van de
representatie. Dus wat is de oorspronkelijke
aard van de Tijd en hoe zou die dynamiek van het
leven moeten worden gepresenteerd? Als we deze
vraag niet kunnen beantwoorden, kunnen we geen
wereldorde hebben. Geen representatie, geen
autoriteit.
Politici weten
heel goed dat wie de tijd bepaalt de macht
heeft. Ten minste dit is wat ze denken. Bij
nadere bestudering, moet ten eerste worden
opgemerkt dat religieus het ons helemaal niet is
toegestaan het begrip van de tijd (God) te
manipuleren. Logisch gesproken is het makkelijk
te begrijpen dat welke schaal van de klok of
kalender van het jaar je ook neemt, het altijd
relatief van belang is. Het is te vergelijken
met het lopen op twee benen: ieder fixatie van
de tijd (een been) zou alleen maar sterk staan
en leven geven (lopen) in verhouding tot een
andere even geldige klok en kalender. Politiek
kan men zeggen: 'we moeten een keuze maken,
òf het ene systeem òf het andere'.
Bezien vanuit dit gezichtspunt zou er altijd
verdringing, verlies van bewustzijn,
onwetendheid en lijden zijn met de fixatie van
de tijd vanwege het niet 'lopen' op de dualiteit
van het voor de handhaving van de vrede
noodzakelijke bewustzijn. Zo bezien is de
standaardtijd zoals we die hebben in de
twintigste eeuw een noodzakelijk kwaad dat ons
berooft van de vrijheid van keuze. Maar dat is
enkel de politiek. De begoocheling dit als een
probleem te zien ligt in de dualiteit besloten
van de formele staat tegenover de werkelijkheid
van het vrije individu. Een geformaliseerde vorm
van respekt voor de tijd kan werken als een
eenzijdig paradigma met al zijn complicaties,
maar niemand kan formeel het vrije individu
verbieden in zijn eigen vrije tijd zijn eigen
klok en kalender in te stellen. De
geformaliseerde samenleving kan je niet zeggen
op welke dagen je televisie moet kijken, en
wanneer je naar de bioscoop moet gaan, een boek
moet lezen of je medemens moet ontmoeten in een
café. Noch kan enig ander systeem ooit
gebieden hoe men de vreugde der bevrijding van
dat systeem zelf dient te vieren als het werk er
eenmaal opzit. De formele samenleving is
uiteindelijk alleen maar een overeenkomst over
wat werken in dienstverband zou zijn, misschien
miserabel, maar niet meer dan dat. Het feit dat
men normaal gebruik maakt van de staatsgewijs
geformaliseerde orde van de tijd om je
privéleven op orde te brengen mag niet
het feit verhullen dat dat niet
noodzakelijkerwijze zo moet zijn. Dit wentelt
het probleem van de vrede uiteindelijk af op de
gedragsmatige kant van de psychologie. Voor het
probleem van de vrede, de vrijheid en de
handhaving van het bewustzijn,
is
er geen politieke
oplossing:
hoe meer politici besluiten voor anderen, hoe
meer ze van de duivel bezeten zijn in religieus
opzicht of ontaard zijn in filosofische zin. Als
het individu eenmaal de psychologie van de tijd
de baas is, is hij bevrijd in zijn eigen
authentieke praktische en ware aard van respekt
voor en dienst aan de God die kan worden gezien
als de manifestatie van de Tijd (Zijn
wil).
Zo eindigen de
problemen van de
autoriteit:
er is geen politieke
oplossing,
noch is er enige kalender of klok die beter zou
zijn dan de andere. Alleen dat begrip dat het
'lopen van het leven' zou respekteren, de
dualiteit van het bewustzijn van de tijd, zou
volstaan. De rest mag een kwestie van
paradigmatische voorkeur zijn, of men zou leven
naar een tijd-dualiteit van logica versus de
natuur, politiek versus de religie, of
localiteit versus een mondiaal concept. Waarom
zou de zwitserse wereldtijd beter zijn dan de
Greenwich wereldtijd, of zou de standaardtijd
beter zijn dan de ware (zonnewijzer-)tijd.? In
feite heeft men een computer nodig om al deze
opties van persoonlijke vrijheid en culturele
zelfrealisatie van dienst te zijn. De uitdaging
is een tempometer te construeren die deze
dualistische tijdoptie weerspiegelt en die
geldig zou zijn over de gehele wereld
(zie
het ontwerp
van De Orde van de Tijd).
HOOFDSTUK
3
3)
Welke aktie is de aktie van de
vrede?
Tot zover
betrof de overweging van werk en werkeloosheid
de aktie in de zin van het spreken en handelen
met de literatuur ervoor en erover, waarop werd
gekonkludeerd dat het recht van spreken
afkomstig was van het gezag van een stel waarden
- het effect beschrijvende van de kulturen van
de liefde voor de non-illusie om sociale
kwaliteit te hebben met een systeem van
beloningen - die het best begrepen werden in een
historische tijd-lijn van evolutie. De
literatuur werd het best gerespekteerd met de
overweging van de juiste referentie, vorm en
gezag met de slotsom van verandering, tijd en
zelfrealisatie in plaats van fixaties, Heilige
Heren en politiek. In de inleiding werd gesteld
dat het punt van de aktie makkelijk was te
begrijpen met het inzicht dat mensen in staat
van oorlog niet werkelijk handelen in vrede
terwijl mensen die niet handelen ter wille van
de illusoire overwinning der destructie diegenen
zijn die werkelijk handelen ten gunste van de
vrede. Verder was het duidelijk dat op
één of andere manier de oorlog
toch uitgevochten moest met de wapens van de
kennis: vrede zou het produkt zijn van
filognosie (het op de juiste manier houden van
de kennis). Een oorlog uitvechten is dus o.k.,
zo lang als je de juiste wapens maar hanteert.
De volgende vraag is die van de aktie in vrede.
Als we eenmaal de vrede bereikt hebben, wat dan?
Er is geen oorlog, er is geen vijand, en wat is
er te doen voor al die soldaten, ambtenaren en
politici die de misdaden tegen het systeem
bevechten? Ten minste heb je criminelen nodig om
de wet of iets dergelijks ten uitvoer te
brengen... Religies, wetenschappen en
subkulturen zijn geneigd hun eigen problemen te
scheppen door moeilijkheden in het leven te
roepen die misschien niemand kan begrijpen
(aangezien ze niet werkelijk bestaan zoals b.v.
werkeloosheid). Deze groeps-ego's verklaren
vervolgens dat de onwetende persoon die geen
idee heeft van het programma van de partij het
probleem is. Als je niet de heilige geschriften,
de handboeken of de niet zo eenvoudige
gebruiksaanwijzingen leest, ben jij het
probleem. Aldus creëert het (sociale)
systeem zijn eigen moeilijkheden: zij die
pretenderen geen behoefte te hebben aan
dergelijke moeilijkheden. Het is als scholen die
het nodig lijken te hebben onwetendheid te
scheppen ten einde er toe in staat te zijn er
tegen te prediken: moet je eerst je kinderen
aframmelen tot ze niks meer weten en ze dan
leren hoe ze dat moeten begrijpen? Dit kan niet
de werkelijkheid zijn.
Voor de
werkelijkheid van de vrede is het idee van de
vooruitgang essentieel. Men zou vooruit streven,
wat dat ook wezen moge voor een systeem dat zijn
leergang aan het plannen is. Vooruitgang, zijn
allen het over eens, is de praktijk van de
vrede. Als je de groei blokkeert, de
vooruitgang, de evolutie, dan solliciteer je
naar een ziekte, een revolutie, een oorlog en
andere beangstigende vormen van regressie. Als
deze eenvoudige waarheid de werkelijkheid is,
waarom verliezen we dan steeds de kontrole ons
in gewapende konflikten bevindend in de
verkeerde vorm van zelfkonfrontatie? Blijkbaar
zitten we met enkele ernstige misvattingen over
de evolutie en vooruitgang in het algemeen. En
dit moet een fundamentele misvatting zijn die
diep is ingebed in de eigenlijke struktuur van
onze kennissytemen. Zoals we zojuist samenvatten
moet de oplossing worden gezocht in de
zelfrealisatie aangaande de tijd en de
verandering om niet te belanden in de valkuil
der fixaties, persoonlijke oplegging (hoe heilig
ook), en politieke (internationale) onenigheid.
Nogmaals moeten we terugkomen op een overweging
van de geschiedenis met betrekking op de
evolutie van individuen en staten. In deze
overweging hebben we verschillende opties te
overdenken:
3.1)
De
overweging van de kulturele wortel:
de vedische
filosofie.
3.2)
De
overweging van onze politieke dialektiek:
de filosofische wortel gevonden in de
Griekse wijsheid.
3.3)
Ten
derde is er het idee van de religie,
bevrijding en
verlichting
dat nadere studie behoeft om uit te vinden
waar de misvattingen over de vooruitgang
schuil gaan die ons voortdurend op het
verkeerde spoor brengen.
3.1
De
overweging van de kulturele wortel: de
vedische filosofie.
De filosofie
van de Veda is hoogst integer. Het onderwijst
zelfrealisatie als de basis van alle vrede.
Gegeven de kennis hoe offers te brengen aan de
Godheid, kan er geen sprake zijn van mislukken.
Alle begrippen netjes gedefinieerd, fantastisch,
de vooruitgang is perfekt veilig gesteld. Geen
probleem tot dusverre. Maar wat geschiedt
vervolgens? Men creëert een tijd-lijn van
de geschiedenis die, tezamen met de uit de hemel
nederdalende Godheid een nachtmerrie van
kontroleverlies uitmaakt. Eerst was er het tijd
perk van Sathya Yuga waar alle waarden perfekt
en natuurlijk werden gerespekteerd zonder enige
valse klasse-onderscheidingen. Dit was het
ideaal. Maar dan neemt de verwarring zijn
aanvang: vervolgens hebben we Dvapara Yuga, of
nee Treta Yuga, sorry, een vergissing, waarin de
neergang zich inzet. Ten eerste gaat de
zuiverheid verloren, vervolgens het vermogen om
te delen, en last but not least komt het
mededogen van de goede wil ten val in Kali Yuga
(dit tijdperk) en alles was blijkbaar
voorbestemd tot de hel te vervallen. Waar de
Godheid ook voor uit de hemel kwam, Hij zou er
zeker niet in slagen dit proces van de neergang
om te keren. Overeenkomstig dit begrip van
verval, met de regelmatige nederdaling van de
Heer, wordt Hij meer begrepen als een stofzuiger
die alle goddelijkheid uit de wereld zuigt,
alleen maar miserabele gekrompen zielen in de
hel achterlatend, dan als de genadevolle die ons
zou terugleiden naar de glorie van Zijn eeuwige
waarden en alwetende kontrole over alle levende
wezens. Hoe moeten we deze maya (misvatting) van
de kultuur die tegen maya vecht begrijpen? Is
dit de leer van de school die onwetendheid
verkondigt om er tegen te kunnen prediken? Is
dit de corruptie van het bewaren van de vrede
die leidt tot nog meer oorlog? Is dit wat de
Heer Zelve gezegd heeft, of is dit een
uitvinding van de religie die probeerde te
gedijen op Zijn glorie door de waarheid te
corrumperen? In feite vond de vedische kultuur
zijn eigen reformatie in de zestiende eeuw om
het valse gezag te ontzenuwen van de
priesterlijke bovenklasse en zijn kaste-systeem
van vals ego. Alleen de ware liefde voor de Heer
werd geldig verklaard onafhankelijk van iemands
klasse (varna) of ashram (burgerlijke
-geestelijke- status van student, gehuwd zijn
teruggetrokken of hopelijk oud wijs en onthecht
genoeg om onderricht te geven). Deze Heer
(Heer
K.C. en zijn 'sunshine band' - dat is het
Vaishnavisme)
van reformatie moest in feite zijn eigen
geestelijke gezondheid opofferen om zijn
volgelingen hun misvattingen van de
geperverteerde vedische filosofie te vergeven.
Hij kon ze hun liefde voor zijn persoon niet
ontkennen, noch kon hij de mechanisatie van Kali
Yuga heilig verklaren hoewel klaarblijkelijk al
de monsters en rakshasa's (demonische
persoonlijkheden) van de oude tijd waren
verdwenen. Deze Heer offerde dus niet Zijn
lichaam, maar Zijn geestelijke gezondheid op om
ons onze dwaasheid en wetenschappelijk
experimenteren van filosofie te vergeven. Van
Hem was bekend dat Hij als waanzinnige zonder
emotionele beheersing onglorieus verdween in de
voorbeeldige liefde voor de oorspronkelijke
Persoonlijkheid Gods (die Hij natuurlijk Zelf
was). Dit drama van de vedische kruisiging van
de moderne zinnigheid wordt niet algemeen
begrepen als de ware aard van de christelijke
reformatie, maar is niettemin essentieel voor
het blootleggen van de toestand waarin we ons
als verwarde revolutionaire moderne New Age
mensen bevinden als het aankomt op het begrip
vooruitgang. Tot zover kan gezegd worden dat
kali-Yuga niet zo slecht is als het lijkt te
zijn en dat de oude tijd misschien niet zo
glorieus was als we zouden willen in respekt
voor onze voorvaderen. Zeker is dat we een hoop
demonen en monsters zijn kwijtgeraakt en dat het
probleem van het kwaad meer in onszelf moet
worden opgelost dan door politieke of anderszins
geplande opleggingen van buitenaf.
3.2
)
De
overweging van onze politieke dialektiek: de
filosofische wortel gevonden in de
Griekse wijsheid.
Op de eerste
plaats wordt de dialektiek gehuldigd als het
filosofische panacé voor alle
moeilijkheden van onwetendheid. Dit zou het
perfekte model voor het respekteren van de ware
kennis zijn. Het is de religie van de wetenschap
te praktiseren in het parlement en op de
universiteiten. De discussie, het vertoog en de
paradigmatische confrontatie van de praat-kuur
der mensheid is verplichte kost. Zonder overleg
zijn we onmiddellijk verloren in hopeloze
oorlogen die nooit eindigen totdat we de
psychoanalytische praat-kuur weer opvatten van
het herontdekken van de ware identiteit van de
vader der kennis (wie dat ook moge wezen).
Niettemin handhaven de monniken in het klooster
hun armoede en stilte tot God biddend dat we op
een goede dag mogen beseffen wat de betekenis
van de stilte zou zijn. Voor hen is het
eenvoudig: we vluchten voor de zelfconfrontatie
(het 'Laatste Oordeel' dat nooit eindigt) in
pogingen om elkaar te hersenspoelen ten gunste
van paradigma's van genieten en beheersen
waarvan we in consonantie met onze sociale ego's
denken dat ze perfekt zijn. Voor hen is het heel
vanzelf sprekend dat we falen: natuurlijk kunnen
we elkaar niet hersenspoelen om de
theorieën te onderschrijven die we
nauwlijks zelf in de praktijk kunnen brengen.
Hoe we het wagen om onze eigenaardige
levensstijlen te verkondigen als zijnde heilig
is voor hen het ware mysterie. Dus moet de
praat-kuur in stilte plaats vinden, het zou
'cogito ergo sum' moeten zijn; van ons denken
zien we in wie, wat en dat we zijn. De
dialektiek zou geinternaliseerd moeten zijn als
een gesprek met God of als dat niet werkt als
een gesprek ten gunste van God (wie dat ook moge
wezen, nogmaals). Dat zou de ware filosoof zijn:
de toegewijde van God die weet te luisteren en
zijn gebeden te doen. Maar wie is er de baas,
wie steelt de show? Hoe veel we ook bidden, we
kunnen er niet aan ontkomen een staat te
organiseren en te plannen voor de toekomst in
paradigma's van beheersing en vooruitgang.
Ondanks de dialektische oefeningen is de ware
aard der vooruitgang een open vraag. Het feit
dat we politiek voortdurend eindigen in een
nachtmerrie van gewapende konflikten is
indicatief voor een tekort schietende filosofie
van de vooruitgang. Ergens op een fundamenteel
nivo moet er ook iets zijn misgegaan met de
goddelijkheid van de filosofie. Zoals met een
fractal moet de verstoring op het vedische nivo
er ook zijn op het nivo van de politiek en de
filosofie.
De griekse
filosofie is een uitgebreid en interessant
terrein. Er zijn zoveel griekse filosofen dat
het moeilijk is uit te maken wat die filosofie
nu precies inhoudt. Het best kan men een kijkje
nemen in de kern van haar overtuiging. Ze hebben
individuele meningen die rijpen tot
overtuigingen die het dialectisch begrip
geschikt maken voor wetenschappelijke exploratie
en bevestiging. Ze konden de predominantie van
chemicaliën in de geneeskunde voorspellen
lang voordat er enige redelijke graad van
wetenschappelijke kennis over was. Het beste wat
ze deden was er onder elkaar over te praten en
het op te schrijven. De platonische filosofie
ontwikkelde zich met een dergelijke conversatie
over de staat genaamd 'De
Republiek'
waarin de verschillende filosofen werden
neergezet als een klasse van bewakers die de
staat zouden redden van de onwetendheid en de
neergang. Zij zouden de jongeren beschermen
tegen misbruik door de ouderen, hen opvoeden, en
de individuele wetenschappen van de wiskunde, de
geometrie en de astronomie verdedigen en de
juiste leeftijd vastleggen voor een huwelijk en
de bijzonderheden van de lichamelijke opvoeding,
de muziek en de krijgskunde. Alles prachtig,
wederom, zoals met de vedische filosofie. Ze
trokken zelfs een aardige parallel met de
vedische eeuwige waarden welke fundamenteel
zouden zijn voor ons moderne politieke vertoog.
Zoals uitgeduid in de kleine geschiedenis van de
waarden der bevrijding in de voorgaande sectie
droegen ze bij aan de bevrijding van de moderne
mens met het voorstel van een juiste politieke
en dialektische praktijk om de staat te
handhaven. In feite zijn het de peetvaders van
de moderne politiek in het stellen dat wijsheid,
moed, matiging en gerechtigheid de fundamentele
waarden zijn in de omgang met de liefde van de
gewone man, hun illusies bevechtend met het
regelen van de juiste beloning in een
kwaliteits-samenleving. Dit vertoog van 'De
Republiek' inspireerde vele van de moderne