Thuis

Filognostisch Manifest

Tijd en Wereldorde

Welkom

De Jaartelling

Een Nieuw Dualisme

Vrije verkiezingen

De Schittering

Internet Begraafplaats

 

 

 

Inhoud Sectie III-b: de politiek

 

'Wees meester en vormgever van jezelf'        
                                                   F. Nietzsche         

Ordening, democratie en utopie

In sectie III-a kwam de praktijk van het persoonlijke aan bod in de zin van bekentenis en ritueel. Het idee was dat respect wensend voor jezelf de ander ook gerespecteerd moet worden - eerlijk is eerlijk. De religie van het regelmatig bij elkaar komen terwille van een heilige persoon dan, die, met een heilig boek inbegrepen, het volle respect wèl waard is, vormt een leerschool. In de geschiedenis volgen die leerscholen elkaar op. Uit de opeenvolging van de scholen kan men afleiden waar ze ieder voor zich in tekortschoten en op welk punt dus een opwaarderen, een aanpassen aan de tijd en de omstandigheid, nodig was van de persoonswetenschap. Aan dit opwaarderen komt geen einde, men moet steeds bij de tijd blijven; de dynamische natuur weerspiegeld in de cultuur gebiedt een voortdurend heroriënteren en heraanpassen, dat, zoals we bij de methode zagen, alleen niet-repressief vooruitstrevend waarlijk de vooruitgang inhoudt. Baruch Spinoza (1632-1677) in zijn Theologisch-politiek Tractaat stelde dat onder de voorzienigheid van God niets anders moet worden verstaan dan de orde zelf van de natuur en ook Vyâsa beschreef dat in het Bhâgavatam door de natuur de virâth rûpa te noemen of de gigantische gedaante van God. In de noodzaak van de voortdurende aanpassing aan die persoonlijk begrepen God, is het dynamisch element van de tijd van de levende natuur als het universele voorwerp van aanbidding terug te vinden. Het idee van God als een dynamische, natuurlijke werkelijkheid ter beschikking van een persoonlijke keuze wordt, in de zin van een alternatief paradigma, ook aan de orde gesteld door moderne natuurkundigen als David Bohm (1917-1992) in Wholeness and the Implicate Order en Fritjof Capra (1939), in o.a. zijn boek The Turning Point (1982). Dus ook al hebben we het wellicht bij het verkeerde eind met de constante lichtsnelheid, toch biedt de nieuwe fysica, met name die bijdragen ervan die niet het bestaan ontkennen van het verbindende element van de ether, een helpende hand. En dit is politiek van belang omdat het natuurwetenschappelijk denken nu eenmaal de basis vormt voor de rest van de wetenschap, net zoals het scheppingsverhaal de basis vormt voor Bijbel en Purâna. Het idee van hoe de wereld tot stand kwam en in elkaar zit is bepalend voor de rest van de culturele bovenbouw. Redenerend vanuit de kwantummechanica en zich afzettend tegen een mechanistische, gefixeerde, enkel cartesiaanse dimensionaliteit buiten de dimensie van de tijdruimte van de nieuwe fysica om, komt Capra bijna als de new-age goeroe Osho heel poëtisch dan uit op uitspraken als: 'Er is beweging, maar er zijn, uiteindelijk, geen bewegende voorwerpen; er is activiteit maar er zijn geen acteurs; er zijn geen dansers, er is alleen maar de dans.' Ook new-age auteurs als Marilyn Ferguson gaan dieper in op de consequenties van de dynamische, onbepaalde aard van het ware, energetische zelf van het universum, waarin we volgens haar, met die aanname in zelfrealisatie verkerend, allemaal verbonden zijn in wat ze (in 1982) noemt een 'aquariaanse samenzwering'. Ze stelt wat betreft de weerstand daartegen: 'Het is niet zo zeer dat we bang zijn voor verandering of in die mate verliefd zouden zijn op de oude vertrouwde manieren, maar het is die positie er tussenin waar we bang voor zijn . . . . Het is alsof je tussen twee trapezes zweeft. Het is Linus als zijn dekentje in de was zit. Je hebt niets om je aan vast te houden.' De oude schoenen zijn versleten, en de nieuwe zitten nog niet lekker, maar het is een ander bewustzijn, een andere manier van zien die we concreet politiek, technisch en wettelijk, dan wel individueel therapeutisch, principieel gestalte moeten geven om de overstap met de orde van de tijd mogelijk te maken. Gelijk heeft Ferguson met haar optie van verbondenheid in dezen, van primair te werk gaan van binnenuit, met een 'trojaans hart' het karma opnemend, zoals ze dat in 1995 in een interview stelde; dezelfde oude wetenschap moet steeds weer opnieuw worden geformuleerd en aangepast, trouw aan de dynamische en persoonlijke natuur, zoals er ook telkens weer een nieuwe constellatie is van dezelfde oude planeten. Zonder dat opwaarderen, zonder die aanpassing aan plaats, cultuur, persoon en tijd is men gefixeerd en gevallen de weg kwijt ofwel verbijsterd in gehechtheid, zoals Vyâsa dat stelt (S.B. 4.8: 54). Het is, variërend op de klassieke thema's der wijsheid, altijd een onvoltooide structuur. Historisch kwam zo allereerst de vedische cultuur zelf, in haar overheersen verslagen door de tijd, ten val op basis van de familiale gehechtheid der aristocratie, die, moeder aarde tot een overlast geworden, op het slagveld van de grote oorlog van de Mahâbhârata, zichzelf uit de wereld moest helpen. De griekse filosofie komt - nu nog steeds dus - evenzo, met de filosoof Socrates veroordeeld tot de gifbeker, ten val met het vragenderwijs leveren van het gezagsondermijnende bewijs van de geringere wijsheid van het pretentieuze formalisme van de bestuurlijke klasse; met als moraal geleerd wat de Gîtâ stelt (in 3: 39): 'je moet de mensen niet van streek brengen met de wijsheid'. Het Boeddhisme valt, met de voedselvergiftiging bij de dood van de Boeddha, op de humane tolerantie voor onzuiverheden en het afwijzen van de wereld als zijnde een illusie; je moet, als een Arjuna de schelphoorn blazend, je mannetje nou eenmaal staan. Het Jodendom komt ten val door haar onpersoonlijke, institutionele weerlegging van de levende persoonlijke God, de niettemin als onvermijdelijk herkende Messias of avatâra. Het Christendom komt ten val door een gebrekkig tijdsbegrip met een niet afdoende uitgesproken Heer Jezus die zich in dezen niet verder kon preciseren dan te zeggen dat het, met het toenmalige (45 v. Chr., 709 A.U.C) afschaffen van de maankalender sedert Julius Caesar, op aarde toch wèl moest gaan zoals het in de hemel is; de Heer, de Vader is nou eenmaal kâla, de Tijd. De Islam die de orde van de tijd voor God en Zijn ether met de gebedstijden wel gehoorzaam aan de zon - herkend als de wil van God, Allah - volgt, komt daarop ten val door haar fundamentalistische, jihadistische heerszucht over, en minachting voor, andere vormen van geloof; want wie het steeds wil winnen moet het, met de gouden regel, vroeg of laat dan ook verliezen. Er zijn nou eenmaal onherroepelijk verschillende avatâra's en dito devotionele culturen die allemaal hun historisch nut en behoud hebben. De Reformatie moet, naar de eigen wil van mededogen en sociaal-wetenschappelijke integratie, met de christelijke val in theologische verdeeldheid en eenkennigheid, zich vervolgens uitbreiden tot een meer multiculturele, geestverruimde rationalistisch-empiristische Verlichting, want hervormer S'rî Caitanya (1486-1543) concludeerde nu eenmaal tot een ondoorgrondelijke eenheid in verscheidenheid. De cultuur van de Verlichting komt door een gebrek aan consistentie en filosofische eenduidigheid, geheel entropisch* voorspelbaar, ten val met de Franse Revolutie die al dat gepraat en subjectivistisch/empirisch individualisme maar elitair en vals vindt; de filosoof moet nu eenmaal zingen wisten we reeds. De democratie ten slotte sociaal/revolutionair verdedigd met de Franse Revolutie, komt, liberaal/conservatief in oppositie verkerend, ten val in haar ontaarding in de dictaturen van het communisme, het militaristisch fascisme en het fundamentalisme, want de kaarten der menselijke identiteit zijn nu eenmaal geschud - zoals vedisch ook bevestigd. Daarbij wachten we in het begin van de eenentwintigste eeuw op de definitieve val van het zo heerlijk lustmatige, maar met name internationaal zeer onrechtvaardige, kapitalistisch dictaat met zijn heiliging van de commerciële nijd, waarmee dan een eind zal zijn gekomen aan de mogelijkheden tot corruptie in de menselijke velden van handelen van de steeds op dictaturen uitdraaiende, nepotistische, d.w.z. op familie en vriendjes gebaseerde, democratie - zoals in sectie I-b werd besproken. De hindoe-godin van het geld, S'rî Lakshmî, is per slot van rekening maar een dienares van Heer Vishnu, de Heer van de goedheid en het behoud. De vriendjespolitiek, de verkeerde combinatie van verbondenheid en rijkdom, en de democratie gaan in feite niet samen, zo toonde ook de filosoof Thomas Hobbes (1588-1679) in zijn Leviathan reeds aan. Hij onderscheidde slechts drie staatsvormen: de monarchie, de democratie en de aristocratie, ofwel het volk vertegenwoordigd door één man, door een vergadering van allen daartoe bereid en een vertegenwoordiging van een deel van die vergadering. Nepotisme maakt van de democratie een verkapte vorm van aristocratie, een aristocratie die Hobbes in geval van volkse onvrede - niet zo vreemd in het geval van een gekozen nep-adel azend op een meer lucratievere positie in het bedrijfsleven - een oligarchie noemt, een regentencultuur die te ver van het volk afstaat en voor de bestrijding waarvan wij in Nederland nu juist de monarchie hadden ingesteld. Een monarchie die zich met de vele illusoire rookgordijnen van de links-rechts wisselende schijndemocratie ontpopt als een regentencultuur, een politiek bestel, waarin de burger zich niet kan herkennen en waarmee hij onvrede heeft, is volgens Hobbes' logica dan in feite een tirannie. In ons geval dus een kapitalistische dictatuur: de combinatie van een verkeerd samengaan van kapitaal en filosofie enerzijds en een fout idee van politieke macht anderzijds. Het is alleen de zelfgenoegzaamheid van de consensus van de kapitaal-gemotiveerde meerderheid, die minderheden verdrukt en geweld aandoet, de vrijwilliger in dienst van God werkeloos en minderwaardig noemt en ondergeschikt verklaart aan de Mammon, en die de rest van de wereld verwaarloost en onrechtvaardig behandelt, op basis waarvan we denken dat we democraten zijn. En zo kan je stellen dat het idee van de meerderheid der stemmen, nog geen rechtvaardigheid inhoudend, een vals idee van democratie is. Een valse en onwetende tevredenheid met wat feitelijk onrecht is geeft geen stabiele staat. De republikeinse democratie, dan wel de monarchie, is pas echt als ze rechtvaardig is, als ze iedereen recht doet en niet enkel een 60% of 80% meerderheid. Vandaar de noodzaak van een algemene consensus over het instellen van kiesgroepen (zie ook synopsis) in een voorshands geregelde orde die geen wederzijdse verdringing met een meerderheidsstem toestaat: de meerderheid moet paradoxaler wijze op basis van consensus over deze zelfkennis zich tegen zichzelf zien te beschermen. Rousseau (see ook Beginselverklaring) zei hierover in Het maatschappelijk verdrag II.3: 'Om werkelijk de uitspraak van de algemene wil te krijgen is het dus van belang dat er geen deelgroepering is in de staat en dat iedere burger alleen vanuit zichzelf zijn mening geeft. Dat was het geval met de unieke en voortreffelijke staatsinrichting van de grote Lycurgus. Als er al deelgroepeneringen zijn, moet men hun aantal vermeerderen en zorgen dat ze even groot zijn zoals Solon, Numa en Servius deden. Deze voorzorgsmaatregelen zijn de enig juiste om te bevorderen dat de algemene wil (zoals tegengesteld aan de bijzondere wil) steeds duidelijk aan het licht treedt en het volk niet wordt misleid.' De macht in een evenredige vertegenwoordiging van gefixeerde kiesgroepen naar klassieke snit verdeeld is zo aan niemand anders dan aan God (zie verder Een Kleine Filosofie van de Vereniging).

Het is de 'makkelijke' schijn-democratie van het nepotisme die, door een gebrek aan een maatschappelijke structuur van gefixeerde kiezersgroepen die representatief zijn voor al de leeftijds- en beroepsgroepen en die elkaar zo op regeringsniveau in evenwicht houden, steeds haar kwaliteiten verspilt, en die kwaliteiten zo dus in feite ook ontmoedigt - en daarvan zien we dan de teruggang in de kwaliteit van het politieke karakter. Het is dus zaak de democratie opnieuw te onderrichten, of zoals Alexis de Tocqueville (1805-1859) het meteen al in het voorwoord van zijn studie over de democratie in Amerika zegt: 'De eerste van de plichten die in deze tijd zijn opgelegd aan hen die onze zaken bestieren is hernieuwd de democratie te onderrichten, haar weer op te wekken, zo mogelijk, haar religieuze geloofsartikelen; haar moraal te zuiveren; vorm te geven aan haar daden; om de kennis van het staatsmanschap in de plaats te stellen van haar gebrek aan ervaring, en een besef van haar ware belang in de plaats te stellen van haar blinde instincten, haar regering aan plaats en tijd aan te passen, en haar om te vormen naar gelang de mensen en de omstandigheden. Er is een nieuwe wetenschap van de politiek nodig voor een nieuwe wereld.' Het feit van de plaats en tijd benadrukken we hier omdat daarin reeds de essentie ligt van ons pleidooi voor de ether en de orde van de tijd ermee verbonden. Deze heropvoeding, valt, volgens Plato's De Staat' en de Zevende Brief, onder de verantwoordelijkheid van de filosoof die dan in feite de baas is, de filosoof-koning is, danwel van de koning of bestuurder die zo dan de filosoof moet zijn. In de vaishnava-cultuur rondom de werken van Vyâsa heet het dan ook dat de geestelijk leraar of de âcârya de Mahârâja of de 'grote koning' is, ook al staat die meer voor de bevrijding in toegewijde dienst dan voor de verlichting van een soevereine macht van zelfrealisatie die meer is gereserveerd voor de onafhankelijke, esoterische goeroe. In de cultuur van het Christendom die zich tot nu toe nog niet zo bewust was van de verschillende typen leraren zoals uitgeduid in sectie III-a van de sysnopsis, komt dat neer op het verschil tussen de theoloog die de bevrijding predikt in het van dienst zijn in de geloofsgemeenschap en de psycholoog/psychotherapeut die de mensen de verlichting in een filosofisch verantwoorde zelfverwerkelijking wil bijbrengen die dan minder het gezag buiten zichzelf legt. Met de begeleiding tussen deze twee vuren van de vooruitgang verkerend, is het duidelijk dat zonder de filosofisch gefundeerde reformatie of heropvoeding van de democratie, zonder het steeds weer opwaarderen van wat de democratische orde moet zijn, en zonder de filognosie erbij die de verlichting van de wetenschap en de bevrijding in dienst aan de persoon van God - bij bemiddeling van de gnosis rondom de orde van de tijd dus - wederzijds afhankelijk verklaart, we onvermijdelijk weer vervallen in de duisternis van de dictatuur en het moralisme die de schaduwzijde vormt van een onwetend begrepen vrijheid. De wedijver tussen leraren van inwijding en instructie langs de dimensies van het onpersoonlijke, lokale en persoonsgebondene moet met de filognosie en het respect ermee voor de verlichting van de leraren van binnenuit, eindigen. In de filognosie hoort een ieder erbij en moet een ieder zijn plaats weten. Het is zoals de japanse confucianistische maakbaarheids-filosoof Ogyu Sorai (1666-1628) het zei in zijn Studieregels-6: 'Een edele is derhalve 'niet vooringenomen' inzake juist en onjuist, goed en slecht. Slecht is dat iets niet gevoed wordt en niet op de hem toekomende plaats terecht komt. Goed is iets te voeden en het zich volledig te laten ontplooien, en te maken dat het op zijn plaats terecht komt'. Deze laatste sectie III-b is erop gericht de verlangde herwaardering van de democratie bij bemiddeling van de filognosie gestalte te geven.

In de postmoderne tijd nu, met de synergie uitgeput, depressief onder een regiem van kunstmatigheid en verbrokkeling, kennen we het geloof als zodanig slechts nog als, zoals de filosoof Jean-François Lyotard (1924-1989) het stelde, een negatieve, cynische realisatie van verloren gegane modernistische idealen, waarin de samenleving in losse delen, als was het vlees in de etalage van de slager, is uiteengevallen en de hoop op een allesomvattende oplossing is opgegeven. Men zou het postmoderne kunnen omschrijven als het verdriet van de over de menselijke, religieuze en morele vrijheid iets te negativistische, op de macht bezonnen, maar grootse filosoof filosoof F. Nietzsche (1844-1900): het betreft een intellectuele depressie die, letterlijk in zijn geval, met een brein koortsig van de geslachtsziekte bij het zien van een geslagen karrenpaard op straat dat beest huilend om de hals valt. De postmoderne mens kent op basis van de filosofen, die enkel als zijnde denkers ook niet meer acceptabel zijn, en met de sociale activisten onder hen, als Vladimir Lenin (1870-1924) en de vroegere, eveneens anti-religieuze Karl Marx (1818-1883), maar één geloof en één mantra: 'dat is onzin!'. De religie is, in een depressie teleurgesteld zijnde over het aanhoudende misbruik door de mens, enkel maar hypocriete onzin. Maar was het niet de oude filosoof Epicurus (314-217 v.Chr.) die in zijn Brief aan Menoeceus reeds zei dat 'Niet de man die de goden loochent die door de massa worden vereerd, maar degene die aan de goden toeschrijft wat de massa over hen gelooft, goddeloos is'. Marx is niet geheel zonder een soort van geloof of God. Ook hij denkt vanuit een verbindend element: 'Er is, in iedere sociale opzet, een tak van productie die bepalend is voor de positie en het belang van alle andere takken; en de relaties die men in deze tak verkrijgt bepalen dienovereenkomstig de relaties tussen eveneens alle andere takken. Het is alsof licht van een bepaalde schakering op alles werd geworpen, en alle kleuren doortrekt en hun bijzondere eigenschappen verandert; of alsof een speciale vorm van ether de specifieke zwaartekracht van alles wat er in aan wordt getroffen bepaalt.' Dit schrijft hij in zijn Inleiding op een bijdrage tot een kritiek van de politieke economie. Maar met hemzelf en de aanhangers van zijn historisch-materialistische theorie waarschijnlijk gedacht als de verpersoonlijking van die ether, wordt, met de atheïstische onzin-kreet die klassiek naar Epicurus in feite dus uit is geroepen over de (on-)gelovige en niet zo zeer over God en Zijn goden, begin 21e eeuw niettemin onbeschaamd wereldwijd de doctrine van het, nu ook tot de sociale politiek behorende, seks- en geldgeloof in de praktijk gebracht met het aanbidden van de afgoden genaamd Mammon en Viagra. In dat ongeloof wordt dan verder iedereen afgeserveerd die het waagt een toch-niet-te-realiseren ideaal te verwoorden in weerwil van het mismoedige, maar feitelijk perverse, relativistisch/cynisch paradigma.
   De postmoderne filosoof
Jacques Derrida (1930-2004) sprak van deconstructie als het gaat om het waarderen van interpretatie-gevoelige menselijke bestaansvormen of 'teksten' zoals hij dat noemt: een ieder ziet erin wat hij maar wil en het zou onmogelijk zijn om zo tot een volledig en samenhangend begrip en dito maatschappij te komen. Hij heeft gelijk dat enkel boeken niet volstaan en ook gezamenlijk respect oefenend teksten nooit helemaal een alomvattend of samenhangend beeld opleveren. En het is ook zeker zo dat in een depressie zonder een duidelijk doel voor ogen er inderdaad sprake is van een letterlijke deconstructie van het tijdsbeeld van de waarnemer. De depressieve mens is gestoord in de drievoudige aard van de tijd: het verleden ziet zwart, de toekomst is onzichtbaar en het heden is onaangenaam. Hij kweekt als cultureel instituut een no-future generatie van mensen die lijden onder wat psychologen als Martin Seligman 'aangeleerde hulpeloosheid' noemen, een geestesziekte van de zelfbetwijfeling waarin er geen soelaas meer is van een absolute referentie waar we God tegen zouden kunnen zeggen en waar we ons aan kunnen optrekken. Maar we zagen (in Ia) dat ook het relativisme, dat als een verkeerde combinatie van wetenschappelijke macht en filosofische kennis traditioneel gehekeld wordt door de paus, ontmaskerd als zijnde een compensatie ten val kwam met de weerlegging van Einstein, die er de God en de profeet van leek te zijn, maar, bouwend op de niet bestaande limiet van de lichtsnelheid volgens de verschillende empirische resultaten van de wetenschappelijke experimenten naar de lichtsnelheid begin van deze eeuw, er dus niet onweerlegbaar in bleek te zijn

Ookal is het inderdaad, vanwege het paradigmatisch gebonden zijn, moeilijk materieel aan te tonen, toch bestaat de ether dus gewoon als we eenmaal weten waarom we het in dat verband moeten hebben over het krachtveld van de melkweg dat bestaat als een vast referentiekader. De tijd bleek niet absoluut te zijn in de snelheid van veranderen met het licht, maar de tijd was wel absoluut in de kwaliteit van het veranderen zelf. Zoals Herakleitos (535-447 B.C.) het zei: alles is in beweging, panta rhei. En zo is de relativistische depressie, die na Nietzsche in het politieke tijdperk woekerde in onvermogen verkerend om Marx' atheïstische, sociale idealisme te overtreffen, dan ontmaskerd als een vorm van gehechtheid in weerwil van die verandering, in weerwil van het absolute gezag van ons dynamische Vadertje Tijd en Zijn heilige ether, de feitelijke godheid der klassieken die door Nietzsche zo dood werd verklaard als de gemiddelde, mechanische tijd van de, vanuit deze visie bezien, hopeloos verouderde klok. Zelfs een schooljongen kan de fysici van het gevallen en al te lineair opgezette standaardtijd-paradigma nu al de les lezen. Zo slaagde de begenadigde jongeman Peter Lynds (geb. 1975) daar in 2003 in, door, vóór Consoli's interpretatie van Düsseldorf reeds, te stellen dat er geen afzonderlijke tijdsmomenten zijn, maar dat er alleen een continue verandering bestaat die je absoluut zou kunnen noemen. Het cynisme verder, de hondse variant van de bijtende spot, is naast het isolationisme en de paranoia van autarkieën als Hitler-Duitsland en het Cambodja van Pol Pot nooit een succesvolle staatsopvatting gebleken, maar vormt meer een geestelijke aandoening van zich al dan niet sociopatisch afreagerende, als een cactus zo stekelige, depressieve mensen die in hoofdzaak interessant zijn voor behandelende psychologen en psychiaters. Men houdt, intellectueel geperverteerd in het negativisme van een wederzijds bevestigd cultuurpessimisme, als een sekteleider b.v., graag en ook plichtmatig de schijn op van gezag, vooruitgang en beschaving, maar men is, postmodern gestoord, in feite persoonlijk, intellectueel en sociaal failliet gegaan en identiteits-onzeker daarmee filosofisch de weg kwijt, zoals we in de beginselverklaring al constateerden; dat is de conclusie waar we nu mee verder moeten in dit laatste deel van de filognosie van onze samenhangende visie.
    Het is, met het einde van ons betoog in zicht, dan ook volkomen duidelijk dat zonder een nuchtere methodische aanpak, een goede feitenkennis, een effectieve en kunstminnende analyse, een goede, gedisciplineerde zin voor spirituele vereniging in het principe en een goed georganiseerd respect voor de klassieke, deemoedig broederlijk naast en na elkaar voortbestaande leerscholen van de geestelijkheid, er geen sprake kan zijn van een zinnige politieke benadering van respect voor en door de beschaafde persoon in al zijn historische, sociale en wetenschappelijke glorie. Het mag duidelijk zijn dat enkel maar met een kleurgevoelige ego-behoefte, enkel maar met een economisch/juridisch argument, enkel maar met een conservatieve houding van private overwegingen van zedelijkheid en deugd en enkel maar een socialistisch ideaal van eerlijk delen in een humanistisch begrip voor zwakheden, we het politiek niet kunnen redden. Geen van de dictaturen afgeleid van een vernauwd gepolitiseerd bewustzijn houden stand door het onrecht dat ze representeren in hun eenzijdige dictaten. De Tocqueville zegt hierover: 'Het resultaat was dat de democratische revolutie plaats heeft gevonden in het hart van de samenleving zonder de erbij behorende verandering in de wetten, ideeën, gebruiken, en het moreel welke noodzakelijk was om een dergelijke revolutie gunstig te laten uitpakken.' Wil de democratie werkelijk een zegen zijn, dan moet ze inzien dat terwille van haar kwaliteit een zekere omslag in het denken, in het bewustzijn van de mensen, nodig is. Zo kwamen we dan tot de filognosie die, vanuit de oorzakelijkheid van de persoon begrepen, vanuit de eigenlijke substantie van ons onderzoek, de wetenschappelijke nuchterheid en de principiële spiritualiteit min of meer als voorwaarde stelt, dan wel als de onmisbare elementen presenteert die nodig zijn om de vrucht van een heilzaam politiek bestel van verantwoordelijkheid nemende, geëmancipeerde mensen te kunnen plukken.

Met de religie als de studie waar we nooit in afgestudeerd raken, en de politiek als de rechtgeaarde praktijk ermee die steeds weer opnieuw moet recapituleren en aanpassen, overleggen en herzien, zijn we aangeland bij de noodzakelijkheid van een degelijke en deugdelijke visie op de toekomst. Zonder een duidelijk uitgetekend ideaal, zonder een doel voor ogen kan, zoals gezegd, de postmoderne mens niet uit zijn narcofiele en angst-neurotisch obsessieve depressie en cynisme tevoorschijn komen als zijnde genezen om zo een rationeel/democratisch evenwicht te vinden tussen het menslievende verlicht humanistische, en het materieel gemotiveerde, traditioneel moralistisch/pragmatische argument. Wat te doen als we, met Nietzsche depressief zijnde of niet, onze verantwoordelijkheid moeten nemen en ons niet steeds politiek eenzijdig kunnen verschuilen achter enkel de rug van het traditionele gezag van in feite mijnheer pastoor en de dominee? Wie kan ons, als volwassenen intellectueel verzelfstandigd zijnde, dan zeggen wat we zouden hebben geleerd en verder met onszelf aan moeten? De in zichzelf verdeelde wetenschap? Die is, de gedragswetenschap en theologie ten spijt, niet persoonlijk genoeg. Met het antwoord gevonden in de commentaren van de oppositionele, dialectische en democratische politiek, en daarbij theologisch tredend in de voetsporen van Desiderius Erasmus (1466 of 1469-1536) die stelde: 'Het is verkeerd om als kinderen vast te houden aan de letter en niet op te groeien tot de vrijheid van de geest', treedt het griekse woord polis naar voren als de etymologische wortel van het begrip politiek, hetgeen een stad of samenlevingsvorm betekent bepaald door een zekere gezagsuitoefening of bestuursvorm. Duidelijk is dat we, van de wetenschap via de spiritualiteit en de religie van persoonlijke bekentenissen en bekeringen, bij de politiek, de 'gezagskunde' der polis aangeland zijnde, we het onvermijdelijk over de autoriteit en het gezag moeten hebben dat onze samenleving(en) op deze planeet bij elkaar moet houden.

De mens worstelend met de morele autoriteit en de uitoefening van macht wil, met de plicht der volwassenheid, best graag in Gods schoenen gaan staan. Maar het geeft problemen als men zich die macht toe-eigent, problemen waar men dan in de politiek onvermijdelijk tegen oploopt. In de bioscoop was er van regisseur Tom Shadyac 2003 een mooi verhaal over te zien dat 'Bruce Almighty' heet. Het beschrijft een gefrustreerde reporter bij wie alles misloopt en die God daarop uitdaagt te bewijzen dat ie zelf niet een werkeloze lamstraal is die zijn plicht niet doet. God bewijst zich dan door hem zijn almacht te geven, maar deelt hem er dan wel bij mee dat hij zich aan een tweetal regels te houden heeft: hij mag niet zeggen dat hij God is en hij moet de vrije wil van de mensen respecteren. En zo aan de slag komt onze held, door de komiek Jim Carrey hilarisch uitgebeeld, ertoe dat hij zijn almacht uiteindelijk weer inruilt, constaterend dat de liefde voor het goede van de werkelijkheid zoals die is, de zaak bestiert en niet zozeer de speciale vermogens waarmee je toch de menselijke, vrije wil niet kan onderwerpen. Het combineren van de begrippen vrijheid en gezag vormt een filosofisch probleem. In zijn boek Leviathan maakte de filosoof Hobbes in 1651 ook duidelijk dat het aanvaarden van een bepaalde vorm van gezag, die van God of niet, onvermijdelijk is als we niet in een chaos van 'iedereen tegen iedereen' willen vervallen. Zo stelde daarnaast op latere datum de australische archeoloog V. G. Childe, (1892-1957) in navolging van de dialectisch over de - in de persoonlijke en collectieve geschiedenis wisselende - denksystemen redenerende filosoof G. W. F. Hegel (1770-1831), dat iedere bestuursvorm, een dominantie-hiërarchie insluit, een pikorde, een stratificatie in maatschappelijke klassen, die hij zag ontstaan vanuit de vrije natuurmens van jagen en verzamelen die zich via de landbouw 'revolutionair' in steden organiseerde en zo tot taakverdelingen kwam. Daarin vond dan, vanuit zijn marxistische visie bezien, een evolutie van de bestuursvormen plaats in een 'strijd om de middelen' als steen, brons en ijzer met navenant de tijdperken die nu nog algemeen aanvaard die naam dragen. Van T. Kuhn (1922-1996) weten we nu dat die strijd een paradigmatische moet worden genoemd en niet direct een sociale. Het is meer het gerommel in de bovenbouw dan in de onderbouw wat er gaande is, al werkt de zaak verkeerd begrepen wel eens kwaadaardig uit naar beneden. Plato in de Republiek sprak ook reeds van een hiërarchie van bestuursvormen die, verfijnder dan bij Hobbes, het beeld laat zien van een aristocratie van edellieden die via een op de (militaire) eer gerichte timocratie en een 'happy-few'-oligarchie van hogere gezagsdragers afglijdt tot een logge bureaucratische democratie van politiek vechtende volksvertegenwoordigers van een twijfelachtige opvoeding die zich desperaat in een algemene roep om gezag dan eventueel corrumpeert tot een dictatuur van 'ik ben God'. Ook de vedische optie biedt een beeld van het afglijden van adel in een chronische kali-yuga woordenstrijd, ookal zien zij het als iets cyclisch in tijdperken van vele duizenden jaren. De socioloog Max Weber (1864-1920) hanteerde een driedeling bij het bespreken van legitieme autoriteiten en deze driedeling laat zich herkennen als een nader inzicht in dit proces van in historische zin afglijden ofwel eroderen tot het onpersoonlijke, gezagsonzekere en immoreel chaotische.
   
Van het traditioneel gezag van kerk en edelen met respect voor de persoon van God, ontwikkelde zich volgens Weber het charismatisch gezag van dictators als Hitler, Napoleon, Stalin en Mao in weerwil van de heiligheid, dat dan eenmaal omver geworpen, resulteert in het gezag van de legaal-rationele autoriteit van een geïnstitutionaliseerde overheid waarin het gezagsinstituut zelf heerst en niet zo zeer het individu ten dienste ervan. Zo belanden we dan met de historische zin voor de orde van de tijd sociologisch gezien van het personalisme in het formalisme, een ambtelijke werkelijkheid die zo mooi aan de kaak gesteld werd in o.a. het boek en de film A Hitchhikers Guide to the Galaxy van Douglas Adams 1979/2005. In onwetendheid vervallen over onzuiver geleefde (religieuze) remedies en gefixeerd geraakt op enkel het problematische, zijn we wederom rijp voor de psycholoog die mag constateren dat we zo nog steeds met allerlei schizoïde -ismen verstrikt zijn in een zekere ego-bepaalde vorm van gespletenheid. Sociaal-psychologisch kan men vijf vormen van machtsuitoefening onderkennen in dezen: de macht van belonen, de macht van straffen, de macht van delegeren, de macht der verdienste en de macht der deskundigheid. Het postmodern gespletene en gevallene bestaat er dan uit dat de geërodeerde staat, die bij delegatie naar lokale autoriteiten de aangepasten beloont en de wetsovertreders bestraft, zich, onpersoonlijk als ze is, in haar ambtenarenapparaat geplaatst ziet voor de volkse compensatie van charismatische beroemdheden van een twijfelachtig allooi die echter dan pas echt een bedreiging vormen voor de gevestigde wettelijke orde als ze een zekere mate van deskundigheid hebben ontwikkeld in relatie tot de populaire stem waarvan, democratisch, de staat zelf dus ook afhankelijk is. Met alle wetenschappelijke analyse van het politieke probleem zijn we zo nog niet uit de postmoderne depressie van het moderne intellect tevoorschijn gekomen. We zien, wel of niet de depressie ontkennend, de zaak als onvermijdelijk inherent aan de verdorven aard van de door Niccolò Machiavelli (1469-1527) reeds beschreven machtsbeluste mens van een twijfelachtige moraal en beseffen niet dat het ideaal van een utopische staat nooit ten onder is gegaan, ondanks de laakbare formuleringen van utopisten als b.v. Aldous Huxley (1894-1963) ('promiscuity is your duty' in Brave New World) en B. F. Skinner (1904-1990) ('no individual parenting' in Walden Two) die de machtskwestie ook niet zo effectief wisten te beredeneren als de oorspronkelijke en heilig verklaarde utopist Thomas More (1478-1535) in zijn Utopia ('Nergensland') van 1516 dat wel deed. Het ideaal van een godsbewuste wereld zonder tirannie, overbodige luxe en landeigenaren, hoe moeilijk te bereiken ook, kàn niet echt ten onder gaan omdat ze een psychologische noodzaak uitmaakt en dus, zoals we bij het bespreken van het zelf-ideaal in sectie III-a al zagen, een onlosmakelijke werkelijkheid van ons bestaan vormt, die ook postmodern in S.F. t.v-series als Startrek b.v. steeds weer de kop opsteekt. Zonder zijn dromen is de mens dood. Hoe irreëel de utopie van de God Mythra van More ook moge toeschijnen, toch vormt zij, met de vedische tijdgod Kâla en de erbij behorende avatâra's van Vyâsa, het onmisbare doel en de culturele wortel waar alle politieke bewegingen met hun programma's min of meer bewust vanuit gaan en op afstevenen. Iedereen heeft, vanuit de hartstocht, dan wel vanuit het goede, in de politiek een ideaal van orde en gezag voor ogen enerzijds en een ideaal van vrijheid en geluk anderzijds dat niet vreemd is aan de persoon maar hem juist recht doet. Maar met het in de moderne tijd relativistisch in de standaardtijd-politiek met pragmatisch-economische argumenten splitsen van tijd en plaats, wordt de persoon geen recht gedaan in zijn beheersing met de ether en zijn natuurlijk functioneren met hersenhelften die nogal druk doende zijn tijd en ruimte juist aan elkaar te koppelen. Het met alle goede wil in strijd daarmee dan wèl recht willen doen aan die natuurlijke orde van de persoon betekent nog niet dat men het dan zomaar eens is over wat die orde precies zou zijn en op welke manier die moet worden gerespecteerd, over hoe die twee elementen van vrijheid en gebondenheid moeten worden gecombineerd in een samenhangende politiek die èn (natuur-)wetenschappelijk èn (principieel-)spiritueel door de beugel kan. Ookal zei Jezus dat voor God de Vader het op aarde moet zoals in de hemel, toch is men niet zomaar van aanvaarding voor of bekend met de versregel van Vyâsa waarin dat respect voor specifiek de plaats, de tijd en de persoon wordt gecombineerd (S.B. 4.8: 54): 'Om namo bhagavate vâsudevâya [alle eer aan Vâsudeva, de Allerhoogste Heer]; met deze mantra [genaamd de dvâdas'âksara-mantra] moet hij die onderlegd is respect oefenen voor het fysieke van de Heer, op de manier zoals het hoort, met de verscheidene toebehoren en als iemand op de hoogte van de verschillen naar gelang de plaats en tijd [des'a-kâla-vibhâgavit].'

Zoals we bij de bespreking van de velden van handelen al zagen in sectie I-b, is er, 0m te beginnen, niet zonder meer enigheid over hoe het politieke veld moet worden beschreven. Het links-rechts spectrum wordt beschreven door b.v. het Eysenk-model, de Nolan-indeling, het Politieke Kompas, de Pournelle-kaart, de Inglehart-waarden en het Fries Instituut (zie de Wikipedia: Political Spectrum). Al deze modellen hebben gemeen dat het ze ontbreekt aan een zekere filosofische leidraad van eenduidigheid en klaarheid; ze zijn nogal structuralistisch van aard. Die klaarheid is er echter al reeds Aristoteles die in Over de Kosmos 5 stelde: '... dat dit het meest bewonderenswaardige is van politieke eensgezindheid: namelijk dat zij uit veelheid een eenheid en een gelijkheid uit ongelijkheid tot stand brengt, die tegen elke natuurlijke of toevallige gebeurtenis bestand is. .....In deze grote zaken leert de natuur ons dat gelijkheid de bewaarder is van eensgezindheid en eensgezindheid de bewaarder van de kosmos, die de voortbrenger is van alles en in de hoogste mate schoon is.' Al in Een Kleine Filosofie van de Vereniging concludeerden we daarmee in overeenstemming dat we axiomatisch - vedisch reeds dus en niet enkel europees bij theoretici van de democratie als Aristoteles en Alexis de Tocqueville - uitgaande van de stelregel 'eenheid in verscheidenheid', te maken hebben met een kwalitatieve en kwantitatieve dimensie op basis waarvan we de twee dualiteiten van het kwantitatief individuele versus het sociale, en het kwalitatief concrete materiële versus het abstract ideële hebben, als betrof het twee verstrengelde yin-yang-figuren (zie de veldentabel). Met het ook erbij betrekken van de chinese filosofie van het evenwicht in de natuur van Lao Tzu (6e eeuw v.Chr.) en het evenwicht in de reflectie ervan in de bestuurscultuur van Confucius (551-479 v. Chr.), alsmede de japanse shinto-filosoof Kanetomo (1435-1511) die stelde dat evenwicht het goddelijke is, moet deze oorspronkelijke klaarheid nu, filognostisch correct refererend, en zo zeker zijnde van onze zaak, een einde maken aan de verwarring van de denkmodellen betreffende de politieke orde en gezagsuitoefening van de moderne staat. Het is duidelijk dat, vanuit de vedische wortel redenerend, er zich met het valse ego, het zich identificeren met het materiële eigenbelang, een politieke strijd heeft ontwikkeld van belangengroeperingen die het statusoriëntatie overzicht over en hun integriteit in de velden van handelen kwijt zijn, zoals die zich in de rationeel-legale autoriteit ministerieel, in meerdere of mindere mate, met gemak laten herkennen. Politiek, ambtenarij en rechtspraak vormen nou eenmaal de verschillende opties van bestuur - zoals Charles Montesquieu (1689-1755) dat in de trias politica van de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht herkende - ook al ontvangen alle drie de groepen dan een inkomen van dezelfde staat. We hebben gewoon ambtenaren van discussie die met wetten in de weer hun rollenspel in de kamers van discussie moeten spelen en we hebben ambtenaren van orde die gewoon voor een ministerie de zaken ten uitvoer moeten brengen, ongeacht hun persoonlijke, politieke voorkeur, en we hebben rechters die de rechten van de mens in dezen moeten bewaken om een dictatuur van ambtenaren- of burgerinitiatieven te voorkomen. Het ideaal bestaat uit een gezonde zin voor deze (politieke) werkelijkheid en het probleem op weg daarnaar bestaat uit de illusies (de mâyâ en moha) van mensen bevangen in de voorstellingen van het valse ego (ahankâra), in -ismen, waarin men het nagestreefde doel van een zienswijze niet goed in evenwicht, niet eigenlijk, kan krijgen in verhouding tot het middel of de volheid daaraan ten grondslag. Dat lijkt logisch/filognostisch het enige duidelijk antwoord te zijn in de kwestie. En als we de realiteit als het heilige doel, de heilige graal van de democratie onder ogen zien op een zodanige wetenschappelijke wijze dat er ook begrip is voor al de escapades van het modernistisch ego, hoeven we ook niet meer bang te zijn voor waar de psycholoog/filosoof Karl Popper (1902-1994) voor waarschuwde met zijn pleidooi voor de open samenleving van een liberale democratie.
   Hij stelde dat de werkelijkheid van zich ontwikkelende staatsvormen als zijnde een wetmatige, zoals b.v. uitgetekend door het marxistisch/hegeliaans evolutionair model, nog niet wil zeggen dat je zo dan een toekomst kan ontwerpen. De utopie is volgens Popper potentieel een gevaarlijke en totalitaire voorstelling van zaken omdat die inhoudt dat steeds de vrijheid van het individu moet worden opgegeven terwille van het hogere doel, want immers als je de mens vrij laat in zijn lustmatigheid komt er niks van de gedroomde staat terecht. Vanuit ons vedisch axioma moet dat ook bevestigd worden. Het gaat er niet zo zeer om een andere wereld te scheppen en je af te zetten tegen een bestaande twijfelachtige vrijheid middels een omverwerping van het regime met een gewelddadige revolutie. Het gaat erom individueel en daarna ook subcultureel, of zelfs collectief op het laatst, de kluisters van de illusies hooggehouden vanuit de baatzucht af te werpen en de oorspronkelijke werkelijkheid onder ogen te zien, en zo het geluk te vinden, ook al is dat dan niet direct het geluk van een ieder en uiteindelijk misschien inderdaad een andere tijd of wereld. Je kan de wereld niet verbeteren door je er ofwel socialistisch, ofwel individualistisch van af te keren of tegen af te zetten; je moet hem zien zoals hij is en met het beteren van je eigen leven er, ook als voorbeeld en steun voor anderen er dienstbaar mee, dan gelukkiger mee zijn in de zin van het vinden van een leven beter in overeenstemming met de eigen natuur. En zo is het niet alleen zoals Vyâsa het met zijn begrippen svadharma en svarûpa (eigen aard en eigen vorm) dat stelde, maar ook zoals de filosoof Seneca in 'Gelukkig Leven' III.3, dat betere leven later uit zelfrealisatie bevestigde. Zoals Popper het aangaf met zijn idee van de piecemeal engineering van een geleidelijke realisatie van politiek gestelde doelen, is reeds bij Vyâsa reeds dat idee te vinden in zijn per paramparâ, of geestelijke erfopvolging, doorgegeven geestelijke gezag, dat zo slechts een stap-voor-stap (B.G.
6: 25) culturele ontwikkeling toestaat. Daarin zit het individuele allereerst met een 'bittere' kater over zijn geleerde les en is er pas veel later het 'zoet' van een betere praktijk te oogsten (B.G. 18: 36-38). Het is een praktijk van een filognostisch, persoonlijk overgedragen, deugdzame weg en goede levensgewoonte van dankbaarheid en dienstbaarheid, die gelijkstaat met moksha of individuele bevrijding, dan wel met het individueel/subcultureel op deze aarde bereiken van vaikunthha, de vedische hemel van die orde van leven waarin geen (vai-) domheid en luiheid (-kunthha) meer heerst en men dus niets meer heeft te vrezen.
  De schijndemocratie moet, zoals we in
Een Kleine Filosofie van de Vereniging al zagen, verholpen worden met een zelf-zekere zin voor orde, met een zekere gereglementeerde, representatieve democratie waarin het begrip vrijheid niet meer zozeer aan chaos maar aan orde is gebonden; zo bevestigde dat b.v. in 2003 ook de moslim-schrijver en journalist Fareed Zakaria in zijn boek 'de Toekomst van Vrijheid'. Filognostisch ziet die geleidelijke 'zachte' revolutie, die omwenteling van het maatschappelijk denken en het zich ontwikkelen van de democratie, er dan ook niet veel anders uit dan wat b.v. Seneca eveneens in zijn dialogen over gelukkig leven (III.3) b.v. reeds uit liefde voor de etherische integriteit constateerde: 'wijsheid is: niet van haar (de natuur) wegdwalen en zich conformeren aan haar wet en aan het voorbeeld dat zij geeft'.

Zo was het zo met het gewelddadige begin met de Franse Revolutie waarin het een klokkenmaker was die voorop ging in het bestormen van de Bastille in 1789 toen er, zij het onsuccesvol, een tientallig stelsel met een revolutionaire klok en kalender werd ingevoerd om het gezag van de natuur over de mens te herstellen. En zo zal het in de hernieuwde, minder gewelddadige pogingen om die tijdrevolutie alsnog te doen slagen, ook steeds zoals Seneca het zegt zijn. Het is met de zachte revolutie der geleidelijkheid meer de constatering van onvermijdelijke feiten en trends en het naar voren treden van de niet te ontkennen of weg te compenseren natuurlijke en sociale werkelijkheden wat de toekomst bepaalt. Alzo betreft het allereerst de hoogst persoonlijke, zelfgerealiseerde toekomst van een individuele, zich emanciperende persoon die geleidelijk aan als een baken ook voor anderen dus dichter bij het geluk van de natuurlijke God leert te leven. Daarbij zal er in het politieke tijdperk - dat vedisch sedert de grote oorlog van de Mahâbhârata heerst en zoals gezegd Kali-yuga wordt genoemd - een voortdurende discussie blijven plaatsvinden tussen de twijfelaars en sceptici die, op basis van hun eigen verraad aan de regulerende principes van het spel van de orde, het karma daarvan onder ogen moeten zien. Want zonder de filosofie missen zij wat Seneca in De Weg naar Wijsheid haar belangrijkste verworvenheid noemde: dankbaarheid en de juiste manier om die te uiten.
  De plicht van de naastenliefde bestaat eruit de deur naar dat Vaikunthha, naar die utopie open te houden en de weg ernaar vrij te maken, en niet zozeer die gang bij de wet voor te schrijven. Om met
Niccolò Machiavelli (1469-1529) en zijn boek de Heerser te spreken is het niet gepast voor politiek leiderschap om moreel iets anders voor ogen te hebben dan het praktisch nut, desnoods tegen de ethische directie in, van het handhaven van de, tot dan geëvolueerde, status quo waarbij men dan niet moet proberen de burgers te verbeteren of tot verdere corruptie te verleiden. Het morele vingertje is gereserveerd voor het intellect en niet zo zeer voor de heerser die op zijn advies afgaat. Het utilitaire, op het praktisch nut gerichte, idee van de staatsmacht bestaat eruit het beste uit de staat te halen met de mensen zoals ze zijn en niet zozeer ze een verlichting bij te willen brengen en op te willen voeden terwille van een andere wereld, ook al mag je daar, als een manifestatie van 'vrij ondernemen' en 'vrije organisatie', dan ook weer geen bezwaar tegen maken. Een ieder heeft zich te houden aan zijn eigen dictaat, alleen dan zullen we vrij zijn van dictatuur. Pas dan snapt men dat de gevangenis van de standaardtijd die alle, politiek in tegenstelling verkerende, materialisten in een relativistische ontkenning van de ether gevangen houdt, niet zomaar kan worden afgebroken, zoals je dat met geen enkele andere gevangenis zou doen. Pas dan kunnen we F. Nietzsche als zijnde van de goedheid begrijpen met zijn pleidooi voor de zelfverwerkelijking van het individu. Met het spel van de orde zoals we dat in de vorige sectie duidelijk maakten, wordt niet zozeer de mens opgevoed, maar gerespecteerd in zowel zijn gevallen en verheven, als in zijn ervaren en onervaren staat, door de begrippen van hoog en laag, abstract en concreet en het naar boven en naar beneden gericht zijn te relativeren als vrije en gelijke mogelijkheden openstaand voor een persoonlijke ontwikkeling. De zegen van God is er bij de genade van het juiste onderscheid. Alleen met een dergelijk respect voor de volheid van het leven van zowel de eenvoudige man die concreet en materieel levend heel heilig kan zijn, als voor de ontwikkelde mens die zeer abstract en hoog gegrepen, met of zonder veel ervaring, evenzo heilig kan zijn in zijn zelfrespect en respect voor de (filognostische) persoon van God, kan men van een werkelijk geslaagde politiek spreken. Het is, onbevreesd over utopische gedachten over de toekomst, zoals Seneca dat eveneens in Gelukkig Leven (V) zei: 'Zo zal er één kracht tot stand komen, één harmonieus vermogen, en zo zal de betrouwbare rede ontstaan die niet in zichzelf verdeeld is en niet in ideeën, begrippen en een overtuiging blijft steken. En wanneer deze zich over het geheel verdeeld heeft en met haar delen in verbinding staat en, als ik dat beeld eens mag gebruiken, wanneer alles hetzelfde lied zingt, heeft zij het hoogste goed bereikt. Want er wacht haar niets laags meer, geen gladdigheid, niets waarop ze wankelt of uitglijdt.' En vedisch moeten we daar dan nogmaals aan toevoegen dat de utopie er wel steeds is voor de enkelen die erin slagen naar dat filognostisch idee van de orde der zienswijzen in relatie tot de natuurlijke orde te leven, maar er nooit reëel is - en misschien zelfs een bedreiging vormt - voor degenen die onbekend ermee niet zo'n duidelijk idee koesteren van de uiteindelijke filognostische werkelijkheid zoals die er, zoals bewezen door de oudste vedische geschriften en ook latere griekse en romeinse geschriften, altijd al was, nu is en er ook als een helder stralende toekomst steeds zal zijn. Met de filognostische revoluties, die nu op basis van de liefde voor de kennis gaande zijn in de verschillende maatschappelijke bereiken zoals hier uiteengezet, heet het politiek: sta op voor je rechten, hou op met het elkaar bevechten; vecht niet tegen elkaar met illusies, maar vecht liever tegen illusies met elkaar. Homo sapiens, de wetende mens, is immers de naam.

Oorspronkelijk was de tijd, maatschappelijk gezien, een religieus begrip en verschilden politici weinig van priesters in b.v. het oude Rome. Plato en Socrates hadden gezegd dat het uiteindelijke regelen van de orde der dingen aan de god Apollo was, waarmee ze aangaven dat de tijd en de ether, en het begrip van maatschappelijke orde dat ermee samenhangt, in de kern een kwestie van religiositeit is, iets wat in de wetenschap nu bekend staat als het apollinisch principe en waarmee zij zichzelf in feite ook, met hen als de filosofische oervaders van dat idee, bewust bekent tot het goddelijke. Plato stelde er, in de 'De Staat', de politieke waarden van wijsheid, moed, matiging en gerechtigheid mee aan de orde, maar wat bestond er aan waarden daarvoor en wat evolueerde daaruit? Het Filognostisch Manifest waarmee deze sectie opent, begint met een historisch overzicht van de menselijke waarden die de (r)evolutie van de kennis in en over de tijd verduidelijkt. Uiteindelijk zullen we, als we alzo met onze filognosie in de daarna volgende pagina's een nuchtere blik werpen in de toekomst, een wereldorde hebben die, galactocentrisch bewust geworen, gebaseerd is op een systematisch en programmatisch respect voor de mensenrechten en de burgerlijke identiteit die daarbij hoort, waarin de culturen van de zonne- en de maankalenders zich beiden zullen weerspiegelen; waarin de jaartelling niet meer exclusief gekoppeld zal zijn aan deze of gene religieuze voorkeur; waarin in een niet-repressief dualisme van bestuur er niet één overheersend en bepalend tijdsysteem zal zijn, maar er een meer natuurbewuste houding van sociale relativering en multiculturele saamhorigheid gebaseerd op keuzevrijheid zal zijn; waarin politieke partijen niet langer meer zullen vechten om verkozen te worden maar mensen gezamenlijk meer structuur-bewust van elkaars -ismen i.p.v. tegen elkaar ingaand zullen strijden om de illusies van valse vereniging en werkeloosheid in weerwil van de verscheidenheid te overwinnen; en zal de (post-)moderne ziekte van het vervreemde materialistisch cynisme en anarchistisch relativisme zijn overwonnen ten gunste van de schittering en het etherische van een meer realistische, rationele, identiteitsbewuste en persoonsgebonden, representatieve wereld-democratie die met de optie van een beter uitgebalanceerde, goede en natuurlijke tijdorde van heugenis voor haar (ook digitale) burgers een leven biedt dat, in de harmonie van de filognostische zelfbeheersing met het krachtveld van de ether, vrij van angst en verwarring is voor iedereen.

 


Voetnoot:

*: Entropisch: op basis van de natuurlijke neiging tot wanorde van alle materiële systemen.

Afbeeldingen:

- Het eerste ongetitelde schilderij van een onafgemaakte structuur is van Keith Haring (site), 1989, acryl op canvas, 39 1/2 x 39 1/2, en © van the Keith Haring estate.

- Het plaatje van de schelp stelt een schelphoorn of kinkhoorn voor. Hij wordt gebruikt als een signaalhoorn in vedische offers en vertegenwoordigt een van de standaard attributen van Heer Vishnu waarmee Hij oproept tot de strijd.

- Het plaatje van de Godin, stelt S'rî Lakshmi voor, de eeuwige metgezel van Heer Vishnu. Men beschouwt haar als de Godin van het fortuin. Ze wordt aanbeden voor economische voorspoed in India.

- De negentiende eeuwse jongeman stelt Alexis de Tocqueville voor, het is een fotogravure van een ets van de 1899 editie van "Democracy In America".

- De man met de snor is Friedrich Nietzsche (schilder onbekend) zoals hij ook op vele foto's te zien is.

- De afbeelding van de man met de gevouwen handen is van Johannes Moreelse (1602-1634) en getiteld: Herakleitos.

- Redon, Odilon: de Cactus Man 1881, Houtskool, 49 x 32.5 cm, The Woodner Family Collectie, New York.

- Holbein d. J., Hans 1497/98 1543: Portret van Desiderius Erasmus.

- Het plaatje van 'de koning van de wereld' is een ets uit het boek Leviathan van Thomas More.

- De afbeelding van de serieuze man is een foto van de socioloog Max Weber (1864-1920).

- Het eiland Utopia, 1518, Houtsnede, 17,8 x 11,8 cm. Öffentliche Kunstsammlung, Basel.

- De vriendelijk kijkende man volgend op het yin-yang-symbool is een foto van de filosoof/psycholoog Sir Karl Popper.

- Het schilderij met het kasteel is van Jean-Pierre Louis Laurent Houel (1735-1813), en is getiteld Inname van de Bastille ("De bestorming van de Bastille"). Huist in de Bibliothèque Nationale Française. Catalogus nummer 07743702; waterverf; 37,8 x 50,5 cm. Uitgegeven 1789. In het midden is zichtbaar de arrestatie van Bernard René Jourdan, marquis de Launay (1740-1789).

- Ridolfo del Ghirlandaio (Ridolfo Bigordi detto, Firenze, 1483 - 1561) Portret van Niccolò Macchiavelli, Olie op paneel, cm. 85 x 67. Londen, privé collectie.

 
Bestel het boek De Ether Bestaat!



 

De site lineair als een perfectie van de causale illusie:







           

 

 

 

           



 

 

 

Filognostisch Manifest| Tijd & Wereldorde| De Jaartelling| Een Nieuw Dualisme|
Democratische Verkiezingen| De Schittering | Internet Begraafplaats